Twee jaar geleden
Ik rende mijn eerste wedstrijd OOIT. Meteen een halve marathon. De Almere City Run. Ik zie mezelf vooraf nog staan te springen van de spanning. Ik had al ooit 2 uur en 20 minuten over 21,1 kilometer gedaan, dus alle tijd onder de twee uur en een kwartier was winst. De eerste 5 kilometer liep ik “rustig” met mijn vriendin mee en toen ging ik los. Ik genoot van die race, ik vond het heerlijk en toen ik op 1 uur 59 minuten en 57 seconden onder de finish doorliep, was ik niets minder dan euforisch! Ik voelde de overwinning in heel mijn lijf. Ik omarmde het hardlopen en wedstrijden ook! Toen had ik energie over na de race, puur door de adrenaline en de trots. (de eindtijd was officieel 2 uur en 17 seconden ofzo, voor mij was het net onder de twee uur)
Vorig jaar
De Almere City Run ging aan mij voorbij. Mijn peesplaat was een heuse zware blessure. Ik had zo hard getraind om de halve marathon in 1 uur en 50 minuten te lopen, dat ik mezelf figuurlijk voorbij gelopen was. Samen met een vriendin liep ik net geen 50 minuten over de 7 kilometer op haar tempo. Ik genoot ook, maar leuk was het niet. Ik vond wedstrijden niet langer leuk. Ze waren stressvol en een onhaalbaar einddoel.
Gisteren
app van de trainer:
Precies daarom heb ik de trainer. Ik heb er 1 dag van tevoren te weinig vertrouwen in om stil te blijven zitten, dat zou ik zelf niet durven. Maar ik heb het gedaan, ik heb braaf geluisterd! Ik heb op basis van mijn tien kilometer van vorige week berekend dat ik tussen de 1 uur 52 en 1 uur 55 de halve marathon ga lopen (2 x 53 minuten + 6 minuten en 3 minuten verval-speling). Ik vind het prima. Ik ben er helemaal gerust op. Nog nooit eerder ga ik zo relaxed een wedstrijd in. Een dag van tevoren en ik sta geen doodsangsten uit! Eventjes als mijn loopmaatje out of the blue vertelt dat de route is veranderd, maar bij nader inzien valt me dat mee.
Een uur van tevoren
De trainer app dat het “maar hardlopen is” en herhaalt dat het niet meer is dan de ene been voor de andere zetten. “Have Fun” schrijft hij erbij. Dat is mijn uitgangspunt! Ik wil na de wedstrijd net zo blij zijn als twee jaar geleden, dat is de inzet en daar hangt geen tijd aan. Korte broek aan en het allerfijnste felgroene Berenloop t-shirt erbij. Ik ben zo gespannen als een elastiekje. En ik ben een Blije Kip. Ik heb heel veel zin in de wedstrijd. Zin in! Zin IN! ZIN IN! Ik huppel. Ik spreek iedereen aan op de verzamelplek in de school en ga drie keer naar de WC. Het is zwaar bewolkt en dat maakt mijn bui nog beter. Het miezert zelfs als we van het station naar de school lopen. Dat de eeuwige wind ontbreekt verhoogt de feestvreugde. Ik heb alle tijd. In mijn hoofd spookt geen tijd rond die ik ‘moet’ halen, ik ga gewoon doen wat ik kan! Wat een bevrijding! Ik heb de wedstrijd al gewonnen met dit gevoel voor ik gestart ben 🙂
5 minuten voor het startsein
Rillend in het startvak… Tranen in mijn ogen van pure spanning. Nou ja zeg! Op het allerlaatste moment nog. Het doet niet af aan de zin of de beleving, maar het elastiekje staat met een hartslag van boven de honderd op hoogspanning!

Vertel ik die meneer nu iets? De mevrouw achter de meneer was bang dat haar tijd niet geregistreerd werd.
Kilometer 1 gaat hard. Te hard. Ik geniet van de supporters langs de kant, geef de trainer van vorig jaar een high-five en we gaan onder de tunnel door. Het is zo leuk in Almere om door de winkelstraat te rennen. Te hard, ook al gaat het omlaag. Ik voel het wel, maar ik kan/wil er niets aan doen nu. Hartslag staat voor op het horloge en die loopt op naar 166, dat is wat hoog. Kilometer 2 gaat nog harder. Door het stadhuis. Ik geniet er gewoon lekker van. “Dan komt de rest vanzelf” heeft de trainer ge-appt, maar dat moet ik nog meemaken. Nu heb ik het idee dat de wedstrijd straks pas begint na 3 kilometer, dit is inlopen voor de lol. Wel te hard voor inlopen…. Ik kijk niet naar de tijden op mijn horloge. Ik kijk en lach naar de oma op haar balkon die ons allemaal voorbij ziet draven.
Kilometer 3. Ik word ingehaald en dat drijft mijn tempo op. Niet nog harder! Dit ga ik niet redden! Ik kan moeilijk mijn eigen tempo vinden zo. Een mevrouw met een geel vestje haalt me soepel in. Als ik al te hard ga, dan is zij een topper! Die kom ik straks wel tegen… De tijden beginnen met een vier, dit kan echt niet. Onder het spoor door over een onverhard pad en dan kan de wedstrijd beginnen voor mijn gevoel. Ik ga op zoek naar mijn eigen ritme als we langs de kerkdienst rennen waar de klanken van een gospel door de open deur naar ons toe lekken.

Kilometer 5. Drankpost! Overslaan. Mijn lievelingstrainer van de loopclub moedigt mij aan en dat helpt altijd zo goed. Nu ben ik de medelopers kwijt die wel al vocht nodig hebben. Ik heb vanmorgen zeker 2 liter opgeslagen in mijn lijf en dat loopt er nu met bakken uit over mijn hoofd. Ik zweet me kapot! Met mijn groene t-shirt en vuurrode hoofd ben ik een stoplicht. Lachen helpt.
Kilometer 6 en 7. Ik zie de zwemjuf van Vincent die gisteren heeft bepaald dat Vincent kan afzwemmen, ik kan dít! Er is veel support hier langs de vaart. Dat is altijd fijn en ik vind het leuk om naar die mensen te kijken. En ook naar de kinderen in de speeltuin, de dreumes voor op zijn moeders fiets die de rennende papa maar niet ziet, de oude oma die lachend kijkt. Ik hoor de meneer die zegt dat “deze mensen een hoog tempo hebben”. Heus?! Ja, getuige de kilometertijd van 4:59. Wanneer ga ik echt langzamer? Kilometer 7 is met zijn 5:19 dan wel langzamer, maar het is nog steeds snel, zelfs voor mijn doen. Ik loop achter een man met een rugzakje die bij een team hoort.

Kilometer 10. Ik ga verloren aan het lopen. Ik weet niet waar ik blijf. In het bos. Tussen de vogels. Ik hoor het geluid van duizend vogels. Ik haal de mevrouw met het gele hesje definitief in. Ik loop achter iemand en hou zijn tempo aan. Ik vind het fijn om in deze nieuwe omgeving te lopen. Er staat iemand vlak voor het 10 kilometer punt die zegt dat we bijna op de helft zijn. Ik neem dat aan en zie dat ik de 10 kilometer nog sneller heb gelopen dan ik vorige week deed in 51 nogwat minuten! Ik heb nog een uur om de andere 10 kilometer ook te lopen en dan haal ik het binnen mijn tijd! Ik neem twee slokken water en spons het zweet eraf.

Kilometer 13 en 14. We komen bij de rotonde, bekend terrein! Ha! We lopen om de volkstuinen heen over een brede straat. Het is saai hier en zwaar ook. Ik denk er maar even niet meer over na of ik het nog leuk vind, dat is beter. Ik kachel door. Ik word door drie mannen ingehaald die volgens henzelf heel vlak op een tempo van 5:10 lopen en daarbij nog een gesprek kunnen voeren, knap hoor. Ineens zie ik het rugzakje weer! Kilometer 14, nog 6 te gaan. En dan pas bemerk ik mijn rekenfout van de afgelopen vier kilometer: het zijn er nog 7. Waarom tel ik die laatste niet mee?! Nog 6 kilometer klinkt beter.
Kilometer 15. Drankpost. Ik stop heel even voor een slok energydrank, die kan ik gebruiken. Dit wordt de langzaamste kilometer met 5:37. Stom genoeg heb ik niet door dat dat logisch is als je drinktijd neemt. Ik vind kilometer 16 tot en met 18 moeilijk, dus dit is te snel, te vroeg, nu al tempoverlies! Waar haal ik het vandaan om door te gaan? De enerydrank helpt wel, ik voel me iets monterder.

Kilometer 16 en 17. Mijn trainer zit met zijn schattige ventje langs de kant. Ik waardeer het vooral van de kleine man, die daar zo lang met zijn rateltje mensen aanmoedigt, de kleine held. Er staan mensen namen te lezen en persoonlijk aan te moedigen, dat doet me goed. Maar de grijns die ik krijg doordat oma de wandelwagen moet omdraaien omdat de bus er aan komt en kleinzoon dat liever ziet, doet me nog meer goed! De twee stomme bruggen over en dan de brede asfaltweg met uitzicht op het kasteel en de haarspeldbocht door. Ik hou niet van dit stuk, niet van dit deel van de afstand en ik moet bekennen dat ik het nu niet meer leuk vind. Tja, dan zit er maar 1 ding op: doorrennen, dan zijn we er eerder vanaf!
Kilometer 18: Een man is uitgevallen. Hij zit naast de kant met een onnatuurlijke kleur en toeschouwers zoeken zijn telefoonnummer op het startnummer. Aj, dat kan dus ook! Ik haal het rugzakje in, die heeft even een langzamer muzieknummer op zijn koptelefoon denk ik! We gaan dadelijk de stad weer in. Dan ga ik pas rekenen. Nu lees ik wat de Blauwe As is op het bord; ik moet snel lezen. Dadelijk gaan we de A6 onderdoor en komt het Weerwater in beeld.

Kilometer 20: Mijn benen kunnen nog. Mijn hoofd heeft er meer moeite mee, dus die schakel ik uit. Ik ga op de automatische piloot lopen. Mijn hartslag kan omhoog, dat weet ik. Straks. Ik stuif de drinkpost voorbij, zonde van de tijd. Hier was ik vorig jaar zo blij dat ik er was, maar nu ga ik door-door-door.




Ik schreeuw van pure blijdschap. Ik ben helemaal stuk. Eventjes. En blij. Ongelooflijk blij. Ik kom een vrijwilliger tegen die mij blij ziet zijn en met me mee juicht. Ik wil nu liggen, zitten, maar de adrenaline maakt dat ik nog even doorstap, hoewel mijn benen echt protesteren. Ik huil volgens mij heel hard. Supertrots ben ik op mijn medaille. Ik neem water aan en loop zwalkend verder tot de trap. Daar ga ik zitten. Rob komt er net aangelopen. Ik ben ongelooflijk blij. En dan dringt het door: er staat 1 uur 50 minuten en 22 seconden op de klok als ik over de finish kom. Dat kan plus of min 20 seconden zijn, maar de één uur vijftig STAAT.
Mijn loopmaatje is gevallen en heeft verband om zijn hoofd. Ik kan weer opstaan en de hartslag is helemaal gedaald. Ik ben bezweet, maar het is geen moeite om mijn spullen weer op te halen. Ik ben er helemaal vol van, al lukt het me niet meer om te huppelen.
8 uur na de finish
Ik fiets. Daarover morgen meer. Ik fiets dus nu in de hoop dat de spierpijn morgen minder is. Minder dan nu in elk geval. Mijn benen doen zeer. Mijn kuiten, de buitenkanten van mijn knieën doen serieus pijn en zelfs mijn peesplaat speelde vanmiddag even op.
