15 oktober: De halve marathon in Amsterdam – out of the blue(s)

Aan de ene kant denk ik: hoe erg kan het zijn als ik nu langer over de halve marathon doe als bij de halve triathlon? Ik bedoel maar… Aan de andere kant: ik moet de halve triatlon toch onder de twee uur kunnen lopen nu? In de trein vind ik het matig spannend. De zenuwen zijn niet verlammend en ik ben gelukkig niet alleen: Naomi reist met me mee. En vele anderen ook. In het Olympisch Stadion moet ik wel even slikken: het is groot en groots. Ik zie PL binnen komen die zijn marathon niet binnen de 3 uur heeft gelopen. We horen het volkslied voor het nieuwe Nederlandse record op de marathon. 2 Uur en 8 minuten: daarin halen velen de halve niet eens…. Het is warm vandaag. Bloedjeheet eigenlijk. Totaal niet mijn weer. Ik ga in een kort hemdje. Niets voor mij. We lopen naar de start en dat is schuifelen. Ik neem afscheid van Naomi, want ik start in groen: het startvak voor een HM tussen de 2uur en 2:10. Naomi start in het langzamere vak. Ik had met haar mee kunnen gaan, maar ik doe toch liever mijn eigen ding. Even uitzoeken waar ik sta.
In het vak komen de zenuwen wel. Snoeihard. Het duurt lang. Ik heb me niet ingesmeerd! Ik moet de bidon achterlaten! Ik moet drinken en een gel nemen op 6, 11 en 16. Ik knoei de spibelt die ik heb geleend meteen vol (sorry M, maar hij kan in de wasmachine). En dan moet ik plassen. Als we richting start lopen duik ik er even tussenuit de dixi in. En dan begint het: 21 kilometer tot het Olympisch Stadion!
Ik schakel mijn horloge om naar mijn hartslag. Ik loop niet op tempo, ik ga de eerste 5/6 km rond een hartslag van 150 zitten. Door de hitte wordt het al snel 152/153, maar ik laat het. Het is druk. Er is veel schaduw. Ik wil tussen de metrolijnen in blijven lopen, maar ik moet steeds uitwijken. En de brug op is helemaal lastig om mijn eigen tempo vast te houden. Ik kijk naar alle supporters. Geweldig. Het is zo gaaf als er zoveel mensen staan aan te moedigen. Ze komen maar voor 1 iemand, die misschien al voorbij is of in een oogwenk langs komt, maar ook als al die anderen zoals ik langslopen, staan ze daar. Studenten met biertjes, oma’s in de tuinstoel, balletjes die flirten: het is leuk om mensen te kijken! Ik hou de schaduw aan. Van de route, van Amsterdam zie ik niet veel. De tijden die voorbij komen liggen keurig strak op 5:40. Dat gaat straks wel verbeteren. Ik krijg niet uitgeteld of dat snel genoeg is. Het lukt me gewoon niet. Ik neem de gel en water netjes aan. Het is druk en onrustig bij de post, maar ik blijf hardlopen.
Er was 1 kippevelmomentje: op een balkon 4 hoog stond een man te zingen. Uit volle borst. Het galmde door de Amsterdamse straat: “You never walk alone” Zuiver en krachtig. Ik vond het geweldig. Het hoort niet bij Amsterdam, maar voor mij voelde het precies zo: geen moment alleen. Toen vond ik het nog niet vervelend….
Op het industrieterrein merk ik dat ik bijna geniet van de ruimte. Ik neem de zon erbij. De hartslag gaat omhoog tot 160-165, maar dat kan prima. Het tempo kan ook omhoog. Al is dat lastiger, want dan moet je meer opletten waar je loopt, wie er voor je loopt. Of links van je. Rechts naast je. En als je uitwijkt: ook nog achter je. Er is minder publiek, maar ik stoor me daar niet aan. Ik neem keurig de volgende gel. Ik voel me in orde en heb alles onder controle. Alleen die rekensom…. Nu ik richting de 5:30 ga, hoe tel ik dan uit hoe lang ik er over doe?! Ik kom er niet uit. Elke keer vraagt iemand anders aandacht. Links, rechts, voor en achter. Mijn rechtermiddelteen wil ook aandacht. Ik voel hem niet meer. De nieuwe sok is dus niet het beste idee. Stom. Maar ik doe het er mee.
We gaan de stad weer in. Ik denk iemand te herkennen op de fiets en wat zou dat gaaf zijn! Ik kan er even op teren en sla de waterpost over. Het is me te druk, ik wil mijn tempo vasthouden. Over 2 kilometer neem ik weer een gel. We zijn al over de helft. Ik merk dat ik in drieën tel: 7, 14 en 21 kilometer. Weerwaterrondjes. Dat is grappig om te ontdekken! Ik zie wel even op tegen de kilometers rond de 12/13, toen het Weerwater bijna te zwaar werd, maar hier in Amsterdam blijft de downfall uit. Ik schrik wel een beetje van mensen die bezwijken. Neervallen. Echt! Ziekenauto erbij en totaal versufte mensen. Confronterend. Heel soms popt de gedachte op dat dit gekkenwerk is, zo kort na de halve triatlon. Maar mijn lijf zal het wel kunnen. Hier en daar moet ik gniffelen om een shirtje met een leuke tekst: “waar is die finish?” “ik loop, dus ik ben…hier pas….” Mijn teen is weer aanwezig. De klem is er af blijkbaar. De variëteit aan talen is verbluffend. Ik hoor ongelooflijk veel: Duits, Grieks, Spaans, Engels; of volkomen onherkenbaar. Nederlands lijkt in de minderheid. 1 Keer zie ik iemand die ik echt ken, zij herkent mij niet, want degene waar ze voor gekomen is, rent vlak achter mij. Ik verbaas me over de oversteekplaatsen: dat is echt wijs georganiseerd! We gaan de echte krappe stad weer in. Ik heb geen flauw idee waar ik blijf. Ik herken soms een sprankje: het Tropenmuseum (past goed bij deze tropische dag), een stukje centrum, het Heinekenmuseum. Maar aan elkaar knopen of iets plaatsen in Amsterdam lukt me niet.
Ik merk dat ik een post en water heb gemist. Dus ik moet stoppen bij de 16km. De laatste gel zit erin. Het is druk. Te druk. Ik moet stoppen, even een paar tellen wachten. Drinken. Water over me heen gooien. Terug op de route komen. Kost ook een paar tellen. Al met al houdt het op. Teveel op. Na alles onder de 6 minuten te hebben gelopen, kom ik er nu opeens boven uit. Dat verlies zal te groot blijken.
Op 18 kilometer schakel ik over van de hartslag naar de tijd. Het moet kunnen binnen de twee uur. Zo snel kan ik nog wel tellen. Aanzetten is wel nodig nu. Ik moet nog 3 kilometer in 5:30 eruit halen. Het kan. Ik voel dat het erin zit. Ik ben bereid diep te gaan. Ik weet dat ik dat ook kan. Maar de wegen zijn te smal. Of te vol. Of allebei. Ik loop te dicht op de hekken. Ik moet om mensen heen. Stoepjes op en af. Zit ik net lekker in het ritme, wandelt er weer iemand. Voor mijn neus. Of een hele groep die jogt waar je omheen moet. Ik wil oogkleppen op en een leeg stuk voor me. Links lopen met achter een groep snelle lopers aan. Ik heb geen moeite met tunneltjes op of af. Ik heb moeite met teveel zielen om mij heen. Het Vondelpark. Leuk en aardig dat ik nu voor het eerst door het Vondelpark ren, maar ik wil en kan tempo maken. Volgens mijn lijf dan. De realiteit is anders: door de drukte lukt het niet het onderste uit mijn kannetje te trekken. Ik wil het, maar het is te druk. Achteraf bedacht ik pas dat ook de langzamere marathonlopers erbij komen en dat die best mogen vertragen, maar daardoor is het te vol. Ik doe mijn best, red het aardig, maar het is niet genoeg. De laatste straat is overvol. De tempoverschillen zijn veel te groot. En de uitvallers zijn te talrijk om je niet raken.
Na 2 uur loop ik het Olympisch Stadion in. Nu haal ik het niet meer onder de twee uur. Sneller dan de halve triatlon wordt het zeker. Ik pak mijn telefoon en maak foto’s en film zelfs. Ik geniet er niet echt van: het is gewoon te druk. Ik kan nog flink doorlopen, maar dit is mij zo anoniem, zo druk, zo dodelijk veel. Zoveel helden… Teveel helden. Ieder op zijn eigen manier hoor, maar niet met duizenden tegelijk, dat geloof ik niet! Twee uur en anderhalve minuut. Ik ben tevreden, want ik heb het goed gedaan: gecontroleerd en verstandig. Maar Amsterdam is mij te druk.
Ik ga lang aan het wachten op Naomi. In de zon. Ik bel even met thuis. Ik ga niet zitten. Maar ik koel wel af. Het is me echt te vol zo. Ik was al ooit in het Olympisch Stadion en toen vond ik het genieten. Toen was het niet zo mutjevol als nu. Naomi wil ook even uitrusten en ook het stadion verlaten gaat op laag tempo. Ik ben vermoeid, maar niet stuk. Dat is ook altijd zo: ik herstel supersnel. En ik vind het toch jammer dat ik niet onder de twee uur heb gedaan wat ik moest doen. Ik haal met Naomi’s man de tassen op. Laat effecten mijn medaille graveren en dan ga ik naar huis.
Het is vol in de metro en op het station moet ik heel lang wachten op een vertraagde trein. Ik heb trek. Vreet alle koekjes op. Zit in de verkeerde trein! Ik mis de overstap, laat ik het zo zeggen. En ik heb me een beetje omgekleed op het station (mijn bovenkleding), maar ik zit nog in renbroek. Thuis eten we eerst. Het was een lange dag. Te onrustig voor mij. Met een half doel half gehaald. Ja, ik kan met minder zenuwen een halve marathon lopen. Ja, ik kan dat doen zonder me stuk te trainen. Ja, ik kan dat prima indelen. Ja, ik kan het tempo aan. Maar nee, ik ben minder snel als ik van mezelf gedacht had. Nee, ik vond het niet geweldig. Nee, het was mij veel en veel te druk. Nee, het was mijn weer niet. Nee, het was mijn (beste) tijd niet. Maar ja, ik heb een medaille. Die is gegraveerd. Al staat er enkel een (teleurstellende?) tijd op, die niets zegt over wat ik heb gepresteerd: een maand na de halve triatlon gewoon weer een halve marathon kunnen lopen! Your Body Can Stand Almost Everything, It’s Your Mind You Have To Convince…. Rob zei gister nog: ‘raar hoor, nog niet eens zo lang geleden zou je flink trainen voor een halve marathon en nu doe je het er een beetje bij.’  Zo voelt het precies! Maar dat is het ook júíst: ik doe het wel! Kleine heldendaden.
En ik voel nog twee dagen dat ook ik spierpijn kan hebben. Wat doet dat zeer zeg! Ik heb zelden spierpijn. Omdat ik meteen na de race mijn spieren goed verzorg. Dat heb ik nagelaten. Ik heb me niet meer ingespannen als bij de marathon of de halve triathlon, maar ik heb veel te laat omgekleed en gedoucht. Links heb ik meer spierpijn dan rechts. Omdat ik zo zelden spierpijn heb, baart het me zorgen. Maar het gaat over. De medaille zit in mijn tas. Dus een beetje trots ben ik toch op!

Categories: Uncategorized | Comments Off on 15 oktober: De halve marathon in Amsterdam – out of the blue(s)

Praatje Plaatje

9 oktober: Anke ziek thuis. MoeMOeMOE. SlapenSlaPENSLAPEN. En dan is het weer over en goed!

10 oktober: zwemtraining van DR. Het was supergeinig! Ik kan dus ook in het zwembad de slappe lach hebben als ik de kruising-tussen-pinguïn-&-zeekoe-slag doen moet. We zwemmen ook samen: duwen en trekken met RV. Mijn horloge kan het niet aan helaas. Die stopt er mee. We deden ook handjeklap saampjes. En dan blijk ik ook links te kunnen ademen.....


11 oktober: rennen tijdens Vincents training. Rare kronkels maken door het bos rondom de manege. Gewoon in me uppie. In me eigen tempootje. In me eigen zinnetje. Eigen hartslaggie.


 

En na het rennen een stukkie zwemmen. Terug naar baan 1 en op de techniek letten (stiekem vind ik baan 2 te druk) Ik zwem wel voorop zonder 8tje.


12 oktober. Te laat thuis voor de training, grmbl. Dan ga ik zelf wel. De busbaan over en 1 straat hard - 1 straat rustig aan. Het water over en dan elk kort straatje sprinten. Best heftig. De tussenstukje heel traag. Het zijn veel straatjes eigenlijk! In de laatste ga ik rustig helemaal terug het water weer over. Dan volgt: tot de eerste straat hard, tussenstuk rustig, tot het einde hard. En terug omgekeerd, dus het tussenstuk hard. Dan hard tot het fietspad en aan de andere kant van de school omgekeerd. In de straat achter ons herhaal ik de bontekoestraat: het tussenstuk rustig. Onze eigen straat ga ik helemaal op tempo door. Het wordt al zwaar. Dus heel rustig door het park terug. Dat was mijn interval van de dag!


 

13 oktober: ik heb twee dagen geleden het startnummer van iemand overgenomen om de halve marathon te doen. Vandaag haal ik het startnummer op. Aan de ene kant onwerkelijk zo op het laatste moment, aan de andere kant: what can go wrong?! Ik kan een halve marathon lopen.... Dat lukt in de halve triatlon ook!


14 oktober: met Manuel losfietsen. Het ging inderdaad erg, erg losjes. De dijk over ging wel rap, maar Lelystad was een vriendelijk doolhof. We fietsen om het vliegveld heen. Daar was de wind dan wel tegen ons. Maar het weer was mooi, de beentjes deden mee en ik kakelde er vrolijk op los. Ruim 50 kilometertjes in totaal.


En ik ga zaterdagmiddag ook zwemmen natuurlijk! We doen een lesje ademhaling: om de 2 slagen, om de 3 slagen. Ik ben gewend aan om de vier slagen rechts te ademen. Vandaag blijkt dat met achtje 1 op 5 ademen mij nog beter ligt! Ik lig stabieler en gemakkelijker. Oefenen dus maar weer….
Voor 15 oktober, de halve marathon in Amsterdam maak ik een apart blogje.

Categories: Uncategorized | Comments Off on Praatje Plaatje

Weer een weekje aan de ketting rijgen

Maandag: Ik ging met Manuel hardlopen. Niet te hard. Om half 9 zouden we gaan. “Mama, ga je mee hardlopen”: ik kon wel onder de tafel kruipen… En niet anders dan ‘ja’ zeggen. Om 8 uur, samen met met kleine ventje naar buiten. Door het donker. Spannend hoor… Zomaar met mama het donker in. We deden nog een stukje lantaarnpalen stoppen: hard-zacht-hard-zacht. Hard is voor Vincent harder dan voor mij, maar langzaam is ook langzamer. En toen in het pikkedonker de brug over. Dat vond Vincent een beetje eng, maar zachter ging hij niet. We renden de heuvel op. Het uitzicht was… donker. En weer naar beneden. Ik zat er niet lekker in. Niet veel te vertellen, het liep wat olifanterig. Zo voelde het nu eenmaal. We slingerden naar Manuels huis. Eigenlijk wilde ik de 5 km met Vincent volmaken, maar voor een elfjarige op een willekeurige maandagavond laat: niet heel verstandig. Dus Vincent naar de douche thuis en ik liep met Manuel door. Wat er precies mis was, weet ik niet. Het bleef niet goed voelen. Ik was een beetje bangig, ongemakkelijk, mopperig, ontevreden. Overal een beetje net last van, maar niets echt mis. Na 8 kilometer (Manuel was net begonnen) was ik er klaar mee. Ik wilde naar huis en niet meer naar de manege. Ik vroeg of Manuel nog mee wilde lopen of zelf verder wilde, maar hij ging mee. Ik sloeg voor de Vaart af. En toen ik eenmaal erkend had, dat het niet lekker liep, ging het… Het ging ineens wel. Ik lette niet meer op het tempo. Ik begon te kwebbelen over Stekker. We kozen het verlichte pad. En nog maar een stukje verder. Het kon me niet meer schelen, ik was op weg naar huis. En blijkbaar ging mijn tempo weer omhoog richting comfortabel. Ik vond het welletjes geweest na 12 kilometer. Fijne maandagavond.
Dinsdag ging ik uit eten met Joyce. Geen zwemmen. Kletsen-kletsen-kletsen.
Woensdag zou ik wel gaan zwemmen. Weer. Maar tijdens de training van Vincent was het zulk lekker weer dat ik nog wel kon gaan fietsen op de racefiets. Laatste keer? In elk geval weer iets nieuws: fijne herfststorm. Eerst heel kalmpjes aan tegen de wind in. Geslinger door de stad betekent dat. Ik had geen haast, geen tempo voor ogen: gewoon een beetje trappen. Naast de Noorderplassen kwam de wind van opzij. ENG!! Dan ben ik bang van de fiets geblazen te worden. Liever wind vol tegen dan van opzij. Dat kreeg ik dus ook. Op het heerlijk krappe fietspad. Dan ga ik maar niet zo hard. Maakt mij niet uit, ik vind het leuk en geniet van het fietsen. Op de Oostvaardersdijk heb ik wind mee. Dat is ook leuk! Schiet wel erg hard op. Ik ben redelijk netjes weer op tijd bij school
Of er iemand mee een heuveltraining gaat doen, vraagt CS op Facebook. Ach…. Vincent en ik vinden het goed. We gaan. Heuvel bij daglicht bekijken! We passen het in bij het tanken en wachten op de parkeerplaats waar CS niet komt opdagen. We treffen elkaar op de berg. CS kletst en wie geeft de training?! Vincent! We moeten zigzaggend over het pad naar beneden lopen, dan joggend omhoog, zigzaggend naar beneden en hard omhoog. Ik kan niet zo hard omhoog. Meneertje de Trainer controleert ons. Vanaf de zijkant. Dan moeten we ‘zo mooi mogelijk’ naar beneden lopen. Dat is fijn! En nog een paar keer op en neer en snel en sprintend en op de foto en hij wil zelf ook op de foto. Ik verorden nog 3 keer op en neer. Wat zwaar voor onze trainer, maar CS kletst gewoon maar door. We lopen over de brug terug naar de ander brug terug naar de auto. Vincent is er moe van.
Maar… we gaan door naar het zwembad! Het is er druk. Ik mag in baan 2 blijven. Dan zwem ik wel voorop. Niet erg. Vincent pikt mijn achtje in. Wel erg. Mijn beentjes hebben best behoefte aan een achtje. Het is een heel programma en een heel geel. Ik kan het ook zonder achtje. Mijn beentjes ook. HL regelt op het einde de 6×50 en telkens ietsje sneller. Ik hou het bij! Het gaat goed. Ik krijg een Groot Compliment van de  nare zwemtrainer RO dat ik hét voorbeeld ben voor alle nieuwelingen: dat ik vorig jaar niet kon zwemmen en nu wel. Aj, het gaat ooit goed komen tussen ons. Ik zeg er bij dat ik dan ook periodes 3 tot 4 keer per week trainde. De triple is weer compleet: ik heb vandaag alle drie de sporten gedaan. En dat terwijl er een uurtje zwemmen stond.
Donderdag Baantraining. Ik had niet heel veel zin, maar ach… Eenmaal op de baan zei de trainer: we blijven op de baan en toen was het wel oké. We liepen twee rondjes in en ik liep te kwebbelen. Toen moesten we 7 keer 1000m (een kilometer) gaan lopen. Op de baan. In zone 3. En na elke kilometer 200m dribbelen of wandelen. Ik ging er voor. Het liep gemakkelijk. Ik liep met JL te kletsen en het tempo lag erg hoog. De hartslag lag ook “iets” boven zone 3. In de rust daalde het zeker 20 slagen. Na 4 km bijpraten, vertelde RO (de trainer) waarom zijn hele triatlon afgebroken werd. In de rust vertelde ik hem dat mij dat juist geholpen had om tegen de wind in te fietsen en dat vond hij erg geinig. Koste me moeite om te zeggen, maar ik kreeg er veel kracht van. Ging km5 nog harder. Alleen dan. Ik merkte dat ik de rust niet had genomen en wandelde 100 van 200 meter rust. Kilometer 6 gingen ook weer hard in mijn eentje. Kilometer 7 moest ik afbreken, want de tijd was om. Ik kan daar heel slecht tegen en versnelde nog maar even door. Toen gingen we buiten de baan uitlopen en ik bekende dat ik me niet helemaal netjes aan zone 3 had gehouden! Ik wil een wedstrijd lopen zonder tijdsindicatie. Dat vond een andere medeloper een slecht idee van mij, omdat je dan te snel begint. Ik ken mijn grens niet, dus ik weet het niet. Hij vond me eigenwijs en dat ik het advies van een ‘ervaren’ iemand niet wilde aannemen. Ik haat dat soort arrogantie! En sommige triatleten lijken dat uit te vergroten. Mispunt. Maar ik trok het me wel aan.
Vrijdag: een wandeling met mijn ouders en Rob en Vincent.
Zaterdag: Ik zou gaan rennen tijdens Vincents aikido, maar Vincent ging niet. KH melde dat ze mee zou gaan toen ik al in bed lag. Dus die moest ik snel afbellen. Maar ze zou naar mij toe komen en meegaan. Heerlijk! Op naar de dijk in een trager tempo was de bedoeling. Dat lukte. Dat tragere tempo. In de eerste kilometer. Daarna gingen we aan het praten en letten we niet op. Weer op de 5:45. Het miezerde een beetje. Lekker! We liepen om naar de dijk en het gaat echt goed samen voor ons. Jammer, jammer dat we dat niet eerder ontdekt hebben, maar ik zag ook zo op tegen de triatleten! We liepen terug over het asfalt en KH vertelde waarom ze maar niet meer in de divisie meedoet. We haalden de tien kilometer in een uur. Precies. Toen liepen we nog verder over het onverharde pad. Volledig nieuw voor KH, terwijl ze lang in de Eilandenbuurt heeft gewoond. We gingen door naar de volgende brug en ik vroeg me af waarom. KH maakte twee keer een pitstopje. Toen besloot ik de brug over te gaan en niet perse voor de 18km te willen gaan. Toen gingen we teruglopen. Ik vertraagde het tempo in de laatste kilometer. Zo kwamen we uit op 16 kilometer (tien engelse mijl) en het gemiddelde tempo was 6:03 per kilometer. Niet zo heel slecht.
Zondag: een off-day. Ik wilde een wedstrijd lopen, maar mijn hoofd en mijn lijf stonden er niet naar. Dus deed ik het niet. Dan maar zelf tien kilometer hardlopen? Of 5? Of 21? Het hoofd was wattig. Het werd fietsen met Vincent. Heel lekker rustig. Over de dijk. Ik vond het koud. We fietsten om de Noorderplassen heen. Het leek wel alsof we alleen maar wind tegen hadden. Behalve op het laatste stukje. Ondanks de wind, het lage tempo, ondanks dat we lekker een frisse neus hadden gehaald waren de watten nog niet weg. Deze week liep heel anders dan het schema wat ik had gemaakt. Beetje rommelig. Net niet genoeg. Maar wel weer erg goed hier en daar. Toch weer 2 keer gefietst op de racefiets. En een hoop kilometers gelopen. Vanaf volgende week ga ik weer meer zwemmen.
 

Categories: Uncategorized | Comments Off on Weer een weekje aan de ketting rijgen

Doorpakken!

Maandag na de tri rust? No way! Ik ga lekker een keer terug naar mijn oude cluppie Just Run. Als betaling vul ik de snoeppot die ik ze schonk bij mijn afscheid. Nu ga ik er (natuurlijk) hardlopend met Manuel naartoe. Ik vind het wel spannend: kan ik ze nog wel bijhouden…. Ik ben van harte welkom. Het gaat over de heupbeweging. Het is mij om het even, maar ik ben hartstikke blij dat triatleten de warming up overslaan! Nou ja, daar krijgen we ook loopscholing…. Er is een mooi maantje. We doen een parkoertje met sprongen en oefeningen. Twee keer. Ik loop lekker achterop. Het boeit mij namelijk niet. Of toch wel….? We moeten rondjes op duurtempo hardlopen. Er loopt iemand voor me en ik loop langzaam in. Stik maar met je duurtempo! Anke gaat hard, te hard; maar het kan. Dit is gewoon wedstrijdtempo, but who cares.. Nou ja, 1 iemand toch: ze “scheld me uit” voor triatleet. Die komt binnen. Dat doet me verdriet. Technisch gezien heeft ze gelijk, maar een triatleet voel ik me nog steeds niet. We hobbelen rustig terug en ik vind het heerlijk vertrouwd. En ook: iets van het verleden.
Dinsdag: ik ga niet zwemmen. ik heb geen zin. Morgen staat er een rustdag in mijn schema en dan ga ik wel met Vincent mee naar de training.
Woensdag: zwemmen dus. Vincent wil graag. Het is heerlijk weer, ik zit zowaar op het terras. Dan vragen de meiden van Facebook of ik mee ga lopen. ‘s Avonds om 7 uur. Dat past niet. Het zwemmen is pas om half 7 klaar. En ik wil best eens met de meiden meelopen. Maar Vincent moet bewegen en hij wil zwemmen. Of… ik stel hem voor te gaan fietsen en een kwartier later zijn we op weg. Naar de sluis bij de Knardijk. Het is echt lekker weer en met mijn oranje bril ziet alles er prachtig uit. We versnellen een klein stukje: geen wedstrijd hoor, want dan wint Vincent! We fietsen ook om beurten voorop om te voelen of het scheelt. En we halen een schip in. Op de sluisjes stoppen we eventjes. Als we terugfietsen doen we Vincents favoriete spel: discussie! En dat op hoog tempo eerlijk gezegd. We gaan over de bruggen terug. En door het bos. We doen ook nog een heel stuk met een hele lage versnelling.
We eten spinazie en ik weet dat het eigenlijk wat kort op het lopen is, nog geen half uurtje van tevoren, maar we wagen het erop! Ze hebben het over 15 kilometer: ik ken deze meiden niet. We zitten bij dezelfde faceboekgroep van hardloopdames in Almere. Het tempo kan ik aan. CS haalt mij op en ze kletst ontzettend vrolijk, eerlijk, lief en onafgebroken. NDB is wat jonger. We vertrekken om kwart over 7 en CS praat gewoon door en door. We gaan om het Weerwater heen lopen, ik dwing mijn voorkeur met-de-klok-mee af. Het verdwijnende licht is prachtig. Voor het eerst zie ik hoe ver ik gezwommen heb. Met de kermis op de achtergrond. Ik hou het tempo prima vol. CS kletst met gemak voor ons drietjes. Aan de andere kant maken we een foto. En we hobbelen door. Ik durf niet te vertellen wat mijn beste marathontijd is. CS loopt ook veel en gemakkelijk, maar mijn tijd haalt ze niet. Bij de kermis is het mij veel te onrustig, daar kan ik niet tegen! We gaan naar de toilet bij het ziekenhuis. Aparte zaak, ik zet zelfs mijn horloge uit. NDB loopt een PR op de tien kilometer, ik ga over het uur heen. We gaan richting de Leeghwaterplas. Daar is het wel donker intussen. Ik wil graag de 16km = 10 engelse mijl, aantikken. We lopen om en heel even heb ik er ook wel zat van. Maar we gaan gewoon door. NDB gaat over haar record van langste loop heen na 12 kilometer. CS kwebbelt gewoon door. Ook mij kost het niet al te veel moeite. Ik geef aan de 10mijl te willen halen en daar zijn geen problemen mee. Alleen rennen we dan geen rondje, maar stoppen we als we alledrie de 16km hebben gehaald. Zomaar op een woensdagavondje. De dag dat ik zou gaan zwemmen. Maar het werd fietsen en hardlopen.
Donderdag. Baantraining. Niet het gedeelte waarop ik mij verheug. In spreek met Vincent af dat ik na 20 minuten mag stoppen als het echt niet leuk is. Ik zal me moeten inhouden, want ik liep gister al en morgen weer; maar ik vrees dat ik dat niet kan en me uiteindelijk niet zal inhouden. Hoewel we de leuke trainer hebben, ben ik de drukke, grote groep na 2 minuten al zat. Dan komt DR uit het niets naast me lopen. Leed geleden: de zon haarzelf verschijnt ter plekke en ik blijf bij haar lopen. Zij lekker rustig, ik kalm aan. Ze komt zelden, maar nu is ze meer dan welkom! We kletsen. We lopen om de baan in en doen dan een bakje loopscholing op de baan. De twintig minuten zijn om en blijf bij DR. Op de baan gaan we 800tjes lopen. Duurtempo. 100m Teruglopen en dat dan 5 keer. We kletsen, we lachen, het is supergezellig en ik ga geen moment aan mezelf voorbij. Wij hoeven maar 4 keer te doen. Om het even. De laatste 100m wil ik voorbij, maar DR roept me keurig terug. Het begint te druppelen. Ik maak de 8km vol en ben trots op mezelf en op DR dat ik niet aan ambitie te onder ben gegaan.
Vrijdag. Ingewikkeld: ik wil met Manuel fietsen, met GD hardlopen, de meiden van Facebook gaan ook en vragen me mee. Moeilijk! Maar het wordt een koppeltje tussen Manuel en GD. GD ken ik van de loopclub en zij ‘schold’ me uit afgelopen maandag. Dat moeten we rechtzetten. Ze woont vlakbij, maar zij was altijd een snellere loper dan ik. Om half 9 sta ik klaar om eerst te fietsen. We gaan de lange rechte polderwegen op. De mist is best mooi en het is niet koud. We fietsen lekker weg. Mijn hartslag ligt wat hoog, maar wat wil je?! Nog geen twee weken na de halve en Anke doet weer voluit mee. We gaan langs de windmolens en warempel, we vinden een nieuwe weg. Een nieuw fietspad. Een andere polderweg. Met een bruggetje er in. Gaaf. Manuel voorziet mij altijd van gedegen advies: daar ben ik erg blij mee. We moeten even terugsteken en dan begint de ellende. Of beter gezegd: de modder. De tractoren rijden hier af en aan vanaf het land vol modder. Dat ligt op de lange rechte polderwegen. Niks leuks aan. Smerig. Ook en vooral voor de fiets. Narigheid. We fietsen om, want we hebben wind mee en zijn snel. Dan maar over de brug en door het Kotterbos terug, want het blijft modderig. We komen de meisjes van Facebook nog tegen ook.
Thuis zet ik de bruin witte fiets aan de kant, pak een hoop spullen en rij naar GD, drie straten verderop. We moeten langzaam lopen, ik heb 6:30 voorgesteld. Ik begin te kwebbelen en we lopen het bos door. Ik kan mijn mond niet houden en het tempo laag houden, laat maar… Ik ben al warmgefietst en dit kan ik supergoed. Ik voel me er prima bij. Arme GD, ik kwebbel de oren van haar hoofd. Nou is zij gelukkig ook geen kleintje en als ik een coach nodig heb, dan blijkt die om de hoek te wonen! Het tempo gaat ook onverhard nauwelijks omlaag. Het gaat bijna te soepel. Na 9 km zijn we rond, maar we hebben tijd over en het zal toch niet dat we met de tien kilometer in een uur binnen handbereik stoppen?! Dus kletst GD de tijd moeiteloos vol. Het is dat we ook voor de thee gaan, anders hadden we nog verder kunnen lopen. GD is een ultra-trail-loopster met veel marathonervaring en het is een geweldig mens. Ik prijs me gelukkig! Dan snel met de auto door naar school om Vincent te halen. Alles past in elkaar.
Zaterdag. Ik ga over een paar grenzen heen, fysiek dan. Vanmorgen deed alles een beetje pijn, wat niet gek is na drie dagen achter elkaar hardlopen. Ik zou het iedereen afraden, maar mezelf dus niet. Ik mocht met KH mee, die drie weken geleden de hele triatlon heeft voltooid. Deze powervrouw heeft een baan en een gezin en het doorzettingsvermogen van… een triatleet. We gaan naar de dijk. Vorige week haalde ik dat niet, deze week wel. We kletsen onafgebroken. Zij denkt dat ik de triatlon ook wel kan, maar ik blijf het struikelblok! Ik vind het wonderlijk te ontdekken dat we elkaar al heel vaak voorbij gelopen zijn en dat we hartstikke parallel lopen, maar dat we nooit contact hebben gehad. Ik kom er zelfs achter dat KH dé oorzaak is dat ik met Rob getrouwd ben! Wonderlijk maar waar, het tempo komt niet onder de tien kilometer per uur. Kilometers lang. Ook in de regen lopen en praten wij door. Aan het einde zet KH de sokken erin, maar ik weet dat we best op tijd zullen zijn. Zeventien kilometer. Ik loop voor de vierde dag op rij en loop zomaar 17 kilometer! KH loopt 3 weken naar de hele zomaar 17 kilometer!
Ik heb geen zin in zwemmen. Niet. Dat zal voor het allereerst zijn. Ik ga omdat ik de hele week nog niet geweest ben. Eenmaal in het water krijg ik niet meer zin. Het is druk. Onrustig. Baan 2 is vol. Mijn benen zijn moe. Mijn achtje is mijn vriend. Ik blijf het liefst onder water. Ik kan me niet goed op de rest richten. Ik zwem flink in. En dan ga ik voorop in de techniekopdrachten. BAW,SBO: benen, armen, wrikken; slepen, bijleggen, oksel. Daarna 6 keer 5o waarbij we 5 seconden na elkaar moeten vertrekken en degene voor ons moeten aantikken. Ik weiger elke keer voorop te zwemmen, dan is de uitdaging wel weg. Twee keer honderd meter: schoolslag en rugslag. We gaan 25,50,75,50,25 doen met heen hard en terug rustig. Mijn tempo ligt er iets te hoog voor. Dan 300m en ik ga voorop. Ik heb al lang geen zin meer, maar ben er nu toch. Vincent maakt zijn huiswerk. Ik heb trek. We gaan uitzwemmen en voor het uur om is, ga ik het bad uit. Genoeg voor deze week!
 

Categories: Uncategorized | Comments Off on Doorpakken!

De Tri Together in Alphen aan de Rijn – de dag waarop ik ontdekte dat het mijn dag ook niet altijd kan zijn!

Vorig jaar zouden we al met zijn drietjes meedoen aan de estafette-triatlon. Maar toen liep RW een hersenschudding op en gingen we niet. RW kan zwemmen, in het zwembad, JW kan hardlopen, dus ik ging fietsen. Een kwart triatlon. Vandaag zouden we het wel gaan doen. Het weer was mooi, het gezelschap perfect, mijn fiets is top, mijn conditie in orde; maar het vlaggetje aan de dag ontbrak. Bij mij tenminste.
De spanning ontbrak. Want 40 kilometer fietsen: dat kan ik wel nu. De zin ontbrak ook: want ik vind het zwemmen én het hardlopen leuker. De energie ontbrak ook een beetje, zeker toen ik hoorde dat ik niet mee mag hardlopen; dat zou coaching zijn. De motivatie zat er op deze dag niet zo in. Dit was de race van hun, van JW en RW. Ik doe het alleen allemaal achter elkaar in 2:37 – nu kan ik alleen mijn fietstijd aanvallen. En kan ik dat dan wel?
JW reed en we kwebbelden zo, dat we de afslag nog misten ook! Gelukkig waren we ruim op tijd. Startnummers halen, alles beplakken, fiets wegzetten. Het voelde allemaal nét niet. Ik hoefde nét niet mee te doen. Nét niet ergens voor te vrezen. Alleen het estafettedeel is nieuw. Fiets in het rek. Voor RW is het wel allemaal nieuw: zwemmen in een wetsuit. In het open water. Dat is anders dan 44 baantjes in het zwembad. In je eigen baantje. Ineens leken de boeien wel heel ver weg te liggen. Nu is RW een doorzetter, dus starten zal ze en het afmaken ook! We begeleiden haar naar de start op het strandje en ontdekken dan pas waar we de chip moeten doorgeven. Ik moet op mijn fietsschoentjes door de oneffen wisselzone rennen. Ik vind het geen moment (te) spannend. En gek genoeg mis ik dat. Wie had dat kunnen bedenken?
De eerste zwemmer van de teams komt na 13 minuten (!!) al het water uit. Ik verwacht RW op 20/21 minuten. Dat doe ik er ook over. Ze verwarren ons teamnummer met de koplopers, dus ik hoor dat ik al op de fiets zit, terwijl de een na de andere zwemmer binnenkomt. Van de 21 teams staan we er nog samen, ik klets zelfs eventjes! Van de teams komt RW als laatste binnen, ze is erg moe zie ik. Ik trek haar chip af en ga naar mijn fiets. Ik ben er klaar voor, maar ik heb er nog steeds niet echt zin in.
Ver lopen, opstappen na de balk en dan de aanlooproute met veel bochten. Ik lig aan het einde en wordt dus weinig ingehaald. Door de eerste heren al wel, die zijn tien minuten later gestart. Op het parkoers weet ik zelfs heel even niet welke kant ik op zal gaan, maar iemand hoort me vloeken en wijst me snel waarheen. Polderwegen. Recht. Vol. Nu wordt het hoog tijd dat ik er in ga komen. Ik kan prima fietsen. Het gaat ook hard. Eigenlijk gewoon keihard. Kijk, na een stuk zwemmen moet je dus ook nog hard fietsen: dit is en blijft een wedstrijd. Ik moet 3 rondjes fietsen. Eigenlijk wil ik elke ronde iemand van de teams inhalen. De nummers beginnen met 700, dus ik zie het. De bochten blijven mijn verliespunt. Er zit een hobbelige brug in, daar spuit mijn sportdrank over heel mijn fiets heen. Moet ik die weer poetsen straks! Ik haal de eerste wat gezette dame die naast me stond bij het wisselpunt in, we liggen niet meer laatste. Dan komt de goede moed terug. Ik kan dit prima, dit trappen tegen de elementen. Leuk zo, langs echte molens. Een dorpje waar de borden ‘ hier 30’  door hordes fietsers worden overtreden – inclusief mij! Ik ga mijn eigen ding aan het doen: fietsen. En eigenlijk is dik 40 kilometer een vet end. Ik ben vergeten me in te smeren. Who cares. In de tweede ronde gaat het eerste deel hartstikke goed: voor ik het weet ben ik op de helft. Ik haal warempel een man in met een 700-nummer. De volgende zal wel een moeilijke worden… Die liggen toch al gauw minutenver voor. In de bocht staan wielrenners die me op vriendelijke toon toeroepen: blijf gewoon trappen meis, het is maar een bocht, kom op! Langs de molen haal ik een dame in die wat gaat drinken. Ik drink onderweg ook genoeg en neem een gel. Ze haalt mij weer in en dan ben ik het zat: ik ga op de limit van stayeren. Ik zie dat om me heen -al dan niet noodgedwongen door de drukte- veel gebeuren: te dicht op elkaar fietsen en de achterste houdt niet in. De motor van de NTBjury zie ik niet vaak. Dit is ook niet de top van de wedstrijd natuurlijk. Ik ga achter de dame met nummer 263 aan. Net genoeg om er profijt van te hebben en zo dat ik niet op een tempo hoeft te letten en net genoeg om bij het horen van een motor iets af te kunnen zakken naar de toegestane zone. Mijn tempo komt 2 tot 3 kilometer per uur hoger te liggen. Dorpje door. Kat die zich zit te wassen. Bandje met muziek. Ik spaar enige kilometers en put daar nieuwe energie uit. Als we de laatste ronde ingaan, haal ik haar in. Ik heb genoeg gespaard, nu ga ik de laatste ronde kapotfietsen. Die kans krijg ik niet weer; laat ik eens kijken wat ik kan. Ook mijn benen kunnen verzuren blijkt. Maar dat ik me daar niks van aantrek, wist ik eigenlijk al wel. Het tempo gaat echt flink omhoog. Raar dat ik dat anders denk niet te kunnen. Mijn bewustzijn wordt smaller, ik trap ook door in de bochten, probeer wat kerels bij te houden en zie ze afgestraft worden voor hun stayergedrag. Ik haal ze in. Dit wijffie gaat de kerels voorbij. Heeft die vrouw daar verderop een 700-nummer? Niet dus. De volgende dan? Ik moet ze bijhalen en inhalen om het te zien. Pas in het dorpje Zwammerdam haal ik nog iemand in van de teams. Ik ga weer terugdraaien en trap nog even vet door om een voorsprong te bouwen. Langs het kanaal zou ik anders wat afremmen, maar nu stuif ik onverminderd verder. Ik stap relatief laat af: Je hebt het grootste deel gehad, roept een toeschouwer. Lief bedoeld, maar ik ben klaar. Fiets weg (dag en dank lekker ding) en naar JW rennen. Helm doe ik straks af.
RW is weer bijgekomen. Ze had ademhalingsproblemen bij het zwemmen. Ze gaf het bijna op, maar ging toch door! Ik heb het wel eens eerder gelezen: te snel starten, de kou van het water: dat kan je de adem letterlijk benemen. We wachten tot JW het eerste rondje van 5km heeft gedaan. Het is hartstikke warm. Ik ben een beetje besluiteloos: bij de fiets blijven, zelf een stukje rennen… Ik kan niet anders doen dan wachten. Het valt JW best zwaar zien we. Maar er lopen er meer bij te puffen. Er wachten meer teams en wij willen ook met zijn drietjes finishen. Gelukkig doen de anderen dat ook. Kijk, als je de snelste zwemmen (13 minuten!!), een topfietser en een hardlopende kerel inzet, ben je voor 3 (waarvan 2 oudere) vrouwen geen partij. Ik verbaas me erover dat ik alleen sneller ben dan wij met zijn drietjes zijn. Ik zou er trots op moeten zijn, maar dat ontbreekt totaal. Er blijft een ontevreden gevoel achter. Niet omdat de anderen niet zo snel zijn, maar omdat ik mezelf zo niet kan vergelijken. Echt sneller dan in Urk heb ik niet gefietst. Het zal pas later doordringen dat ik deze keer meer dan 40 kilometer heb gefietst in dezelfde tijd, met een hoger gemiddelde dus.
Als je staat te wachten, duurt het hartstikke lang! JW komt er aan en we gaan met zijn drietjes over de finish. Ik heb het gevoel dat het niet mijn race was, niet mijn wedstrijd, niet mijn dag. Maar de hunne! Ik ben apetrots op onze medaille. Maar het voelt raar bij de finish weer helemaal opgeknapt en uitgerust te zijn. Ik snoep veel meloen en dan wil ik weg. Ik hoor er niet bij. Niet echt. Er zit een vlinder op mijn fiets. Die vind ik prachtig mooi. Hij snoept van de gemorste sportdrank en blijft zitten voor een foto. Het lijkt of die vlinder er voor mij zit: vluchtig en vliegend. RW zoekt nog een mooi t-shirt uit. Ik neem afscheid van een seizoen. Van het seizoen waarin ik triatleet werd.
Op de weg terug ben ik stil, maar dat valt gelukkig niet op. RW en JW kletsen honderduit. Ik ben heus trots op ze, maar niet trots op mezelf. Ik vond het een hele leuke dag, maar niet geweldig. Ik genoot van het fietsen, maar het leek maar een momentopname. We zijn niet eens het laatste team geworden! Dat is gaaf. Het was gewoon niet mijn dag vandaag. Niet mijn huppelende zelf. Niet mijn enthousiasme. Ja, dat kan gebeuren. Gelukkig hebben de andere 2 dat ruimschoots gecompenseerd: het was tof voor ze om even een deel van mijn wereld te zijn. Ook al heb ik daarvoor een stapje terug moeten zetten. Of mogen trappen…. Nu nog maar eens proberen of ik ook zo snel kan fietsen én daarna nog tien kilometer onder het uur kan lopen. Misschien volgend seizoen.
 

Categories: Uncategorized | Comments Off on De Tri Together in Alphen aan de Rijn – de dag waarop ik ontdekte dat het mijn dag ook niet altijd kan zijn!

We pakken het weer op

Ik hou niet van rust. Ik kan er slecht mee omgaan. Ik word er ongedurig van en prikkelbaar. Intussen is een weekje met 4 uur sporten rust. Nu maak ik even mijn eigen schema’s. Mijn eigen houvast. Tot ik een andere train(st)er heb gevonden en tot ik weet wat ik verder qua doelen wil. Van te weinig sporten ga ik twijfelen.
Dus op maandagavond deed ik….niks. Een avond twijfelen, schema verzinnen, denken over doelen, mails versturen en TV kijken.
Dan de dinsdagavond. Zwemmen! Niet dat het zwembad minder saai is, maar na het eerste doel (afvallen) is het tweede doel op korte termijn: beter de zwemtechniek leren. Heel veel baantjes zwommen we. Ik ging voorop. Omdat ik in baan 1 zat en dan moet ik wel. Het gaat wel beter nu ik niet meer bang ben om mijn armen uit het water te halen en het koud te krijgen. De trainer heeft er niets meer op aan te merken. Ik heb zelf het gevoel dat ik weer een beetje wat dingen opnieuw moet leren. Maar ik ga er weer voor!
Woensdag. Vincent moest ergens heen en ik kon drie kwartier in de wachtkamer gaan zitten of op en neer naar huis rijden of een stukje gaan lopen. Tja, loopkleding aan en de route eens van een andere kant bekijken. Gewoon alleen. Mijn tempo, mijn eigen gedachten, mijn zonnetje. Ik hobbelde heerlijk. Onverhard en ook bekend. Geen hartslagbeperking, niets moet, alles mag, niks wat hoeft. Eventjes bijkomen en glimlachen om de fotografe en om het feit dat het tempo lekker  hoog kan blijven. Ja natuurlijk zweet ik ook en wil ik soms dat ik voor de wachtkamer gekozen had, maar ik ben rijk en gelukkig dat ik dit op een woensdagmiddagje kan doen! Het valt me nog niet gemakkelijk, maar ik geniet er wel van.
En daarna naar het zwembad. Kan er ook bij. Veel bekenden, veel mensen die mijn vrienden geworden zijn. Ik moet in baan 2 vanwege de drukte. We krijgen veel techniek. Heel veel. En we mogen niet met hulpmiddelen zwemmen. Best zwaar voor mij. Maar ja, ik wil het leren he. Er wordt ook veel gekletst. Ik zwem weer onbehoorlijk veel.
Donderdag naar de baantraining. Kijk: het ritme komt er echt weer in! Na een lange rotdag op het werk, heb ik geen zin. En dan de trainer die zo ambitieus is die op de fiets meegaat. Hoe ga ik dit uur doorkomen? Ik raak aan de praat met nieuwelingen, maar ik voel dat ik gister ook al liep in mijn lijf. We zijn wel een half uur buiten de baan, bruggetje op en af. Het wordt alweer vroeg donker. Op de baan doen we intervallen en mijn hartslag rijst de pan uit. Ik laat het maar gaan, ik overleef het wel. Een stuk tevredener dan voor ik begon, sluit ik de training weer af.
Vrijdag: het kan nog net, dat fietsen. En zondag moet ik een wedstrijd op de tijdritfiets doen, dus laat ik die nog eens testen. Manuel gaat mee en we rijden de dijk af richting de Noorderplassen. En verder door. 1 Keer wil ik even doortrappen om te voelen of ik dat kan. Het gaat, maar of ik ook 40 kilometer boven de 30 km/u kan trappen betwijfel ik. We kletsen. Wind of geen wind. Geen regen in elk geval. Mallotig genoeg vind ik een rondje van nog geen 35 kilometer maar een kippestukkie.
Het wordt zaterdag. Ik zou met iemand gaan hardlopen, maar die kan niet, dus ik ga alleen. Tijdens Vincents aikidoles. Anderhalf uur alleen met mijn gedachten. Met mijn rugzakje, met mijn tempo. Ondanks dat ik graag met anderen ren en klets onderweg, geniet ik enorm van mijn eigen loopje. Vooral omdat ik niet het idee heb dat ik mijn tempo aan iemand anders hoeft aan te passen. Ik ga tot het ophaalbruggetje, omdat ik de dijk net niet haal. Achteraf misschien wel, maar na 3 kwartier draai ik gewoon om. Ik haal de 15 kilometer en dit ging echt weer gewoon goed. De gemiddelde hartslag ligt nog in zone 3, maar ik vind het fijn dat ik nog 15 kilometer kan hardlopen. Dat belooft wat voor als ik een halve marathon wil lopen. Zomaar. Ik leg me niet vast, geen druk. Maar er is een mogelijkheid.
En ‘s avonds weer zwemmen. Vincent gaat niet, ik wel. Dezelfde trainer als woensdag en ik moet naar baan 2 omdat een groot aantal nieuwelingen in baan 1 les krijgt. Ik ben bijna jaloers! Ik ben wel het voorbeeld voor ze: als je niet kunt zwemmen en het toch leert. ‘Zeg je er ook bij dat ik 3 of 4 keer per week in het zwembad lag?’ vraag ik erbij. We gaan op techniekherhaling. Koprollen onderweg: het moet niet erger worden, maar ik doe het vier keer. De kant niet aanraken bij het keren en geen PB: ik doe het vier keer. Schoolslag direct na 100m borstcrawl: ik doe het allemaal mee. Ik ben weer eens flink moe na de training.
Op zondag deden we de tri together triatlon. Ik zal er een aparte blog over schrijven.
 

Categories: Uncategorized | Comments Off on We pakken het weer op

Echte rust en weer verder gaan….

Ik was thuis maandag. Om bij te komen, om een blog te schrijven, om alles op een rijtje te zetten. En om piano te gaan spelen! Ik heb echt een tijdje zelf geloofd dat ik na de halve triathlon wel zo genoeg zou hebben van sporten, dat ik mijn tijd in piano spelen zou gaan steken. En toch – ik wist denk ik al direct na de finish dat het dat niet ging worden! Ik keek al uit naar een volgende trainer of trainster en vond Robs vraag of ik de hele triatlon volgende keer niet in het regenachtige Almere wilde doen, niet eens ondenkbaar. Alhoewel…. hij begon er zaterdagavond al over, maar toen klonk piano-spelen nog aantrekkelijk (over goede timing gesproken)
Op dinsdagavond ging ik zwemmen. De tattoos zaten er nog op. Ik kwebbelde met RV, die ik beter achterna had kunnen zwemmen bij de wedstrijd! Het was rustig, de meesten waren net al ik een beetje aan het uitzwemmen. Daar was de training ook op aangepast. Veel rechttoe rechtaan baantjes zwemmen. Ik deed lekker met pullboui. En ik deed netjes 8 banen beentjes. Mijn horloge deed echter niet mee: ik had de meting nog op een 17 meter bad staan. Dus zwom ik elke keer te weinig. Bij 8 banen schoolslag deed ik iets wat ik nog NOOIT eerder heb gedaan: Ik Spijbelde Na 6 banen wachtte ik liever op de andere twee. Ik hoefde ook nergens voor het uur vol te zwemmen. Ik heb geen schema meer, geen verplichting, geen nieuw doel.
Op woensdag hoefde ik dus ook niet. Ik pieker alleen over wat er nu komt. Wat kan ik nog doen? Kan en wil ik überhaupt door naar nog een triatlon? Of doe ik alleen de korte afstandjes? Is dat afzien het op het einde allemaal waard? Ik krijg reacties van de mensen die in mijn hoofd naast mij fietsten over de Oostvaardersdijk. Ik wil wel en ik kan fysiek ook weer prima. De bovenbenen deden een beetje pijn als ik de trap af moest. Erger was de euforie die overal in doorsijpelde.
Donderdagavond training? Ik had een bijeenkomst in Zoetermeer en de avondspits zorgde ervoor dat ik pas om 7 uur thuis was. Het was raar om dezelfde mensen tegen te komen als vorige week donderdag: “toen ik jouw de vorige keer zag, was ik een ander mens!” Zo voelt het. Ik ben een nivo opgeschoven: ik ken nu niet alleen mijn grenzen, maar ik weet zelfs wat daarachter ligt! Ik ga door als ik niet meer kan en dat neem ik voortaan altijd mee. Mooie bijkomstigheid.
Intussen staan mijn beentjes te trappelen. Die zijn zo klaar met zich inhouden! Die willen fietsen en rennen. En ik kan niet kiezen. Dus ik ga allebei doen. Die arme Manuel mag mee. Eerst een rondje om de Oostvaardersplassen fietsen. Hard gaan we niet en de hartslag geeft nog geen beeld van een volledig uitgerust lichaam, maar we gaan wel! Op 10 meter voor ons steekt een prachtig roedel herten over. Op de dijk hebben we wind mee. Het is raar hier weer op het fietspad te mogen fietsen. En te kwebbelen. Het tempo zit wel snor, maar ik vind alles best. Op de Knardijk begint de regen. Gek genoeg deert het mij niets. Mijn wereld is oranje gekleurd. Ik verzeker Manuel dat hij niet meer hoeft te hardlopen, maar ik weet allang dat ik dat toch wel ga doen. Ik wil over de Ibisweg en we hebben wind tegen. het doet mij allemaal niets meer. Ik trap door en door en door. Maar een ommetje over de Trekweg om de 40 kilometer vol te maken, dat hoeft dan weer niet!
Ik kleed me rustig om en laat het idee varen om 10 kilometer te hardlopen. Het moet niet gekker worden: 2 keer spijbelen in een week. Ik ga er nog aan wennen zeg. Overigens zullen de meesten binnen een week na de wedstrijd geen koppeltrainingen uitvoeren, maar ik dus wel. En het tempo zat er goed in. Het voelde uitstekend en het was weer droog intussen. Het liep gewoon erg lekker. Heerlijk bekend langs de plassen. En onderweg gewoon energie over om te kletsen. Bij gemiddeld meer dan 10 km per uur. En dan eindelijk, na 6 kilometer, ben ik het ook wel zat. Hoe is het mogelijk?
Laten we er maar eerlijk voor uitkomen: ik sport gewoon door. Heus, ik heb het geprobeerd om piano te spelen en het was leuk. Maar een stukje rennen, zweten en wat fysiek presteren past mij beter. Geen idee dat dat in mij zat, maar nu is het niet meer te stoppen. De grote vraag is: kan ik het Rob en Vincent aandoen om door te gaan met trainen? Rob vindt het prima. Hij vraagt zich af waarom ik me nog niet heb ingeschreven voor volgend jaar met het goedkope tarief!! Maar ik ben er zelf nog niet uit of ik volgend jaar weer in Almere wil starten.
Op zaterdag breng ik Vincent weg in hardloopkleding en tref ik Joyce. Ze stelt een rondje Weerwater voor en ik vind die trip prima. Ik loop soepeltjes, maar minder dan gister. Het is raar om daar weer te lopen, maar dan zonder de posten, zonder publiek. En toch is het hier en daar net zo zwaar. Om terug te kijken. We lopen het ommetje. Langs de verlaten coachpost. De heuvel op die ik nu pas echt opmerk. Ondertussen kletsen we en kletsen we. Aan 1 stuk door. We lopen langs post 3 die er niet meer is en ik voel weer hoe zwaar het afzien was. Langs de flats en nu weet ik wie die lieve mensen waren die daar in de regen bleven staan aanmoedigen. We lopen langs het Lumierestrand en dan zeg ik (half voor de grap): zullen we net als normale vriendinnen doen en gewoon thee gaan drinken?! Joyce proeft het idee even en vraagt een kilometer verderop bij het ziekenhuis of we dat niet eens zullen doen. We maken het rondje af en lopen de 7,5 kilometer vol. En dan GAAN WIJ SAMEN THEEDRINKEN. Het is ongehoord. Ongekend. Nog nooit eerder vertoond. Een unicum. De training afbreken en weer spijbelen. Ik geef er niks om. Mijn beentjes protesteren ook maar een beetje dat ze gister ook al uitgelaten waren.
Ik kan niet zwemmen. Vandaag niet. In plaats daarvan maak ik voor mezelf een nieuw schema. Volgende week pak ik het weer op. Echt waar. Ik verzin een doel. Of wat. Op zondagochtend wilde ik eigenlijk met Vincent gaan rennen, maar de spierpijn en de geen-zin winnen het. Voor de laatste keer. Vincent wil niet fietsen. Nog geen 4 uur gesport. Dit is voor mij in geen tijden voorgekomen, zonder dat ik ziek was!

Categories: Uncategorized | Comments Off on Echte rust en weer verder gaan….

De halve triathlon in Almere – Challenge Almere Amsterdam Half Distance

Ik heb wel duizend keer aan het SMSje van vorig jaar gedacht wat ik van Merijn kreeg: “En volgend jaar jij die halve toch?” Want vandaag en geen dag eerder, was het antwoord echt definitief ja.
De nacht sliep ik redelijk: na elk uur een keer plassen kwam ik weer in slaap. Om half 6 lukte dat niet meer. Ik was bevreesd voor wat me te wachten stond vandaag. Was het gister goed te behappen, alle zenuwen en spanning hadden zich blijkbaar verzameld op zaterdagochtend om 6 uur. Ik had maar 1 zekerheid: straks is het over als ik maar één keer zwem. Het was nog donker en slecht weer: regen. Vooral op de fiets met een extra kans op lekke banden baalde ik daarvan. Verder deert regen me minder dan 25 graden. Ik worstelde me door een  bolletje heen, pakte nog een kam, een plastic tas en prepareerde de sportdrank. Die krijg ik prima weg gelukkig. In plaats van even voor half 7 waren we even over half 7 op weg. Ik was trillerig en het huilen stond me voortdurend nader dan het lachen. Het is dat ik het weet van tevoren, maar leuk is het niet. Ik kan niet echt uitkijken naar de challenge, maar vrees alles wat mis kan gaan: met eten, met materiaal. Ik weet dat ik dit kán, maar het moet ook lukken. En wel vandaag.
Het regent als ik mijn bidons op de fiets zet. Als ik mijn fiets zie, raak ik altijd wat geruster, maar vanmorgen helpt er weinig. Je mag nog lang het parc fermee in en uit. Ik zet mijn groene tas voor na de wedstrijd ook weg. Voor de niet triatleten: er zijn drie tassen: 1 rode voor alle fietsspullen en daar heb ik mijn schoenen en sokken in zitten, een helm, fietsshirt en 2 fietsbrillen. In mijn blauwe run-tas zitten 2 paar schoenen (ik kan altijd nog voor de andere kiezen) en de beste sokken, extra gels. Ze hangen bij mijn startnummer. De voorbereiding klopt, de training klopt, ik sta gezond aan de start: waarom tril ik dan zo?! Ik ga nog maar een keer naar de WC en het druppelt maar door. De andere groepen starten met een flair. Ik heb MC en MB en AS nog even gezien. Ik eet nog een broodje en drink voldoende. Joyce komt me steunen, maar ik voel me niet goed. Niets krijgt mij nu gekalmeerd. We lopen richting de zwemstart. Ik doe mijn wetsuit aan en alles past en valt langzaam in elkaar. DR komt me tegemoet: zij kan me altijd wel opvrolijken, maar nu lukt het haar zelfs maar mondjesmaat. Ik kies de blauwe zwembril. Die heeft zich bewezen. Ik neem een colagel en dan zou ik klaar voor moeten zijn.
Als de mannen starten, zie ik PL. Ik weet zeker dat hij dit volgend jaar ook kan, maar hij denkt dat hij niet kan leren zwemmen. Dit is het enige gewone gesprek dat ik voer deze ochtend. Dit is gek genoeg de grootste steun: PL, als ik dit kan, kun jij het ook. Ik wens je geinspireerd te hebben. En dan moet ik gaan. Rob een kus. Vincent een knuffel. In het startvak zie ik SK en ik pak haar hand. Zij en DH proberen me tot rust te manen en spreken hun vertrouwen uit, maar nu ik nog. In het water is het inderdaad bijna goed. Ik ben blij met de zwemstart. Kan ik mooi nog een plas doen, hihi. Ik moest vanaf het moment dat ik mijn wetsuit aan had! De dichtstbijzijnde vrouw wens ik succes, maar dat blijkt in het engels te moeten. Ik zie voor mijn neus Jort Vlam met het startpistool, start vast mijn horloge en dan is het gaan. Weg spanning.
Heerlijk zwemmen. Ik krijg een beuk, maar mijn bril blijft zitten. Ik zet het op een zwemmen. Om de rode boei heen. Het is nog even druk, maar ik kan er echt tegen. Ik zoek mijn ruimte. De wereld om me heen is blauwgetint door de bril, maar ik kan alles goed zien. Navigeren van boei naar boei: ik had beter moeten kijken naar de route. Ik haal 1 op 2 adem en maai lekker door, precies zoals ik zwemmen kan. Techniek en verbeteringen maak ik misschien later nog wel ooit: nu zwem ik. Ik blijf bij de schoolzwemmers uit de buurt, krijg een beetje water binnen en ben blij dat ze de planten hebben gemaaid. Ze zijn er nog wel, soms 1 op mijn brilletje en ik zie ze onder me. Om de boei heen, lekker krap. Door naar de volgende gele boei in de verte. Soms kan ik moeiteloos 1 op 4 ademen. Ik zie de bootjes en kano’s. Ik baal van de geur van de stinkboten. Ik zwem en zwem. Geen idee hoe ver het is, hoe lang ik nog mag. Geen idee wat er nog komen gaat, maar dit is gewoon genieten. Soms haal ik iemand in, soms stuur ik wat bij. De vrouwen hebben paarse badmutsen, de 50+heren die met ons gestart zijn groene. Heren kan ik veel achter me laten. Die kunnen straks beter fietsen. De volgende boei ligt nog verder weg. Ik raak volledig de oriëntatie kwijt. Geen idee hoe ver nog, waarheen – behalve de volgende boei. En het genieten. Ik vind het echt leuk gewoon. En als ik even de moed laat zakken kijk ik naar de plantjes en denk aan al die keren dat ik ze in het zonlicht zag. Toen ik met MZ zwom. Aan die eerste keer buiten in de golven van het Gooimeer. We gaan de verste boei om en dan komen er wat golfjes. Het is niet veel en het deert mij niet. We gaan langs 3 gele pilonnen en nu ben ik echt de weg kwijt. Gelukkig zwemmen er veel mensen voor me die ik volgen kan. Ik kijk 1 keer achterom, maar ben nog lang niet de laatste. Een prettig idee, maar niet onverwacht. Ik zie iemand met een oranje wetsuit, die volg ik en probeer ik nog even in te halen. Ik haal een man in met gele badmuts. Ik weet totaal niet waar ik heen moet zwemmen of waar ik het water uit moet. Ik permitteer me een keer goed te kijken, maar vanaf het water zien de schouwburg en het ziekenhuis er toch anders gepositioneerd uit. Inmiddels krijg ik zin in fietsen. Dat zwemmen was erg leuk, maar het is wel klaar nu. Geen idee hoe lang ik hiermee bezig ben geweest. Ik moet rechts van de witte tentjes zijn. Dan gaat het snel. Ik voel mijn horloge trillen en denk dus al op 2000m te zitten. Ik doe nog een plasje, nu het nog kan en dan omhoog lopen. Ik kies de middelste rij. Geen last van duizelingen. Ik hoeft niet te rennen: hier ga ik geen winst halen. Dit is mijn strijd, geen wedstrijd voor mij. Wetsuit uit, badmuts af, bril af. Rare kleur heeft de wereld dan opeens! Het gaat goed. 1 Van de drie afgevinkt. Horloge netjes lappen voor de wissel.
In de tent heb ik het wetsuit al uit. Fietsshirt aan, gel mee, sokken aan, fietsschoenen aan. Ik voel me prima. Ik neem de tijd. Niet dat ik ga zitten, maar nu kan ik beter alles even goed op een rijtje zetten en niets stoms vergeten. Helm op en ik kies de oranje beglaasde fietsbril. Voor mij schijnt de zon! Ik huppel bijna naar de fiets, ik wandel in elk geval niet. Ik zie Rob en dan zie ik alleen nog mijn trouwe fiets. Garmin aan. Ik wil bijna opstappen, maar de vrijwilliger stopt me bijtijds. Natuurlijk: eerst weglopen. Ik weet het wel, maar nu wil ik fietsen. Rob rent harder dan ik. JK en nog iemand staan daar commentaar op mijn Vicoos fiets te leveren met hun nare toontje. Ik stap op en ga op voor enige uren fietsen. Het regent nog. Weer netjes het horloge gelapt.
In het begin fiets ik niet te snel. Wegens mijn slechte bochtentechniek moeten een paar mensen mij rechts inhalen. Ik heb het koud en vind het spannend: die dunne bandjes op die gladde weg en de plassen en de regen…. Ik ga maar 25 kilometer per uur en vind dat niets erg. Ik schakel niet omhoog: voor mij is dit wennen en omschakelen. Straks kom ik wel bij. Ik zie al meteen mensen met lekke banden. Ik ben nu gerust: als mij dat overkomt, kan ik de band plakken en ga ik weer verder. Zo simpel is het. Ik ben erg blij met mijn armstukken en het truitje. Ik drink wel alvast. Volgens mij zie ik vlak voor Almere Haven trainer LK, maar ik weet het niet zeker. De eerste post sla ik over, al kijk ik goed hoe het werkt. We komen de dijk op voorbij Almere Haven en hebben wind tegen. Natuurlijk. Ik heb het nog niet warm. Langs het stukje waar ik voor het eerst met GN buiten ging zwemmen, moet ik even slikken. En dan weet ik weer hoe ik het deed: ik begin tegen mezelf te praten. Lekker hardop! “Weet je nog dat we hier gingen zwemmen” Ik spreek mezelf moed in. Letterlijk. De afslag voor de hele triatlonmensen laat ik netjes rechts liggen. Ik zie de gele startnummers. Die doen een hele. De blauwe nummers zijn voor de tri-together. Mijn tempo gaat nog niet omhoog, maar ik geef de tegenwind en de kou de schuld. Straks komt het wel goed. We moeten over het fietspad bij de snelweg en ik zie YZ voorbij komen. Ik wens haar veel succes toe. Ik heb eindelijk ook naar de hogere versnellingen doorgeschakeld. Bij elke bocht, begin ik tegen mezelf te zeggen dat het kan, dat het niet eng is, dat ik niet uit ga glijden. Het helpt nog niet veel. Ik haal een paar dames in, tot de volgende bocht. En dan de weg op langs Almere Poort. Ik merk dat ik onwijs geniet van de wegen die voor ons afgesloten zijn. Die geven mij een enorme boost, dat ik hier fietsen mag. “Daar begon het”, zeg ik tegen mezelf en ik kijk richting Duin. Ik ga liggen en warempel, bij de volgende rotonde ga ik niet eens rechtop zitten en afremmen. Ik blijf goed drinken. Dan de dijk op. Ik kan niet anders dan heel breed lachen. Hierom alleen al had ik dit willen doen. De straat van ons fietsers, triatleten. Soms word ik ingehaald door een superfietser en ik begrijp niet wat die dan met zwemmen heeft gedaan. Zoef-zoef-zoef. Ik praat hardop tegen mezelf hoe rijk ik ben dat ik me hier bevind. Dat ik zomaar langs de windmolens ga. Op naar het Bloq van Kuffelaer. Ik begin er vertrouwen in te krijgen. Tot nog toe is het inderdaad een feestje en is dat getriatlon behoorlijk leuk! Ik ga liggen en laat de dijk naar me toe komen. Het besef daalt in dat ik dit alleen maar voor mezelf doe. Dat ik dit dus fysiek aankan. Dat ik de kracht in mij heb om dit te bereiken. Gek genoeg verbaas ik me daarover. Niet dat het me lukt, maar dat ik met al die trainingen zoveel heb bereikt en dat nooit eerder heb beseft. Ik denk aan al die keren dat ik fietste: Met EH, toevallig ooit naast YZ, met Manuel. En intussen loopt de snelheid op. Het doet me niet echt iets. Ik ben hooguit verbaasd dat de snelheid voortdurend boven de 35 kilometer per uur ligt. Dat is gewoon hard. Straks krijgen we ‘m wel terug. Als ik even opzie tegen de Knardijk die straks komt, praat ik tegen mezelf. Ik hoeft niet goed om me heen te kijken: ik weet waar ik blijf. Volgens mij haal ik regelmatig iemand in. Jury zie ik niet. Voor het Bloq neem ik netjes de gel. De sportdrank is half leeg. Ik neem een bidon water aan en drink goed veel. Ik leng de sportdrank verder aan, wat ik een goed plan van mezelf vind. Ik gooi de bidon weg. Zonde eigenlijk, want ze zijn mooi. Nu komen we op mijn thuisgrond. Volgens mij regent het nog van tijd tot tijd, maar ik heb het inmiddels warm en de druppels deren me niet. Ik begin te bedenken aan al die mensen die met mij meefietsen. Al die nieuwe kennissen, die lieve vriendinnen van de TVA: KH die nu ergens de hele trapt, die prachtige AS die achter KH fietst, MB met haar scherpe maar lieve stem, aan haar man HB die zo’n rots is, aan SG die zo schattig kan zijn, aan GN die zoveel vertrouwen heeft. Ik denk aan JM die sterker is dan wij allemaal bij elkaar, juist omdat ze hier niet is. MB kan in de rij niet ontbreken: zij is de enige die mij ervan doordrong dat triatleten geen arrogante mensen zijn. Ik pink echt een traantje weg op de fiets. Overigens gebeurt dit meer in mijn hoofd dan hardop gelukkig. Ik denk aan de lachende DR. Ik neem JC mee en RO en W die me alles wilden leren. Natuurlijk denk ik aan M die voor me uit zwemt, aan TL die ook al zo blij is, aan MZ van wie ik hoop dat hij geniet en vandaag niet het haantje uithangt, maar de volbrenger. En ik denk aan de mensen die het allerdichtste bij mij staan: papa en mama die onderweg zijn voor mij. Van wie ik alle sportgenen afgepakt heb. Ik moet er om lachen. Ik denk aan Joyce die me steunt en aan Manuel die altijd klaarstaat. Gek genoeg ontwaar ik hem van een afstand al. Op ‘ons’ kruispunt staat hij. Ik roep naar hem, maar met 37 kilometer per uur, vlieg je razendsnel voorbij. Ik vind het waanzinnig lief dat hij voor mij daarheen is gefietst. Ik kijk straks naar hem uit en deze bonus is erg fijn. Er is hier weinig tot geen publiek. Ik moet plassen. Blijkbaar moet ik van die sportdrank enorm naar de WC. Maar hoe? Ik buig me er een tijdje over en besluit dan gewoon óp de fiets te plassen. Al trappend gaat dat niet, maar er loopt gewoon een flinke straal mijn schoen in. Smerig ben ik al van de opspattende modder, dit kan er wel bij. Wat zal Vincent lachen straks als ik hem dit vertel. Vincent… En Rob…. Als ik aan ze denk, aan alles wat zij moeten doorstaan, dan lopen de tranen me echt over de wangen. Al die keren dat ik er niet was. Ik word afgeleid omdat er een busje rijdt die een fiets komt halen. Back to reality: ik ben dan wel al over de helft, maar ik ben er nog niet. Het besef van tijd ben ik al lang kwijt. Ik zet het op een zingen: de tekst van Peter Gabriels Dirt: “hands on the wheel, don’t look back, this is for real”. Op naar de Knardijk. Hopelijk staat MS daar. Dat kan ik gebruiken. De zijwind valt me mee. De smalte van het pad ook. Anderen kunnen mij inhalen. Dus ik kan ook inhalen. Ik weet hoe lang dit stuk is, maar het is al snel voorbij. De tien-kilometerborden zijn voor de hele afstand en ik loop er op achter. De kilometerborden boven de honderd kloppen met mijn metingen. Zij fietsen dan ook een stukje extra bij Haven, dus ik kan het verklaren. En dan het stuk terug naar de Praamweg. Wind tegen. Hier fietste ik ooit met Manuel ook tegen de wind in; ik voorop. Toen lukte het en nu ook. Dít is Anke. Grijns en trappen. Dankjewel Tante Z voor deze fiets, dit verlengstuk van mij. Ik haal FS in en roep tegen haar dat ik daar mijn best voor heb gedaan! Over de brug bij
de Praambult. Er komt zowaar even een zonnetje door. Dan weer een bocht en ik bereid me voor op de volgende post, op een gel water en een bidon ruilen. Ik moet enorm hard lachen om het bord: ” U bevindt zich op het triathlonparcours. let op uw snelheid”. Ik weet dat het voor auto’s is, maar ik vind het voor mezelf erg leuk klinken: gelukkig dat ze me er even aan herinneren! En dat op de snelheid letten: wat anders? Mijn hartslag kan me gestolen worden! Over tot de orde van de dag… Water aanpakken, gel wegspoelen, smerig water, drinken, vasthouden en de andere bidon pakken en legen in de drinkbidon tussen het stuur. Wonderlijk genoeg gaat het allemaal. Dan maar even geen snelheid meer. De mevrouw die alsmaar rond me heen fietste stopt bij een dixie. Doei. De bocht. Zie ik Manuel al? Ik heb mijn eigen bidon teruggestopt. Ik kijk, zie geen jury (in de verste verte niet) en gooi Manuel de bidon toe. Ik roep dat het onder controle is, maar ik weet niet of dat aankomt. Zo voelt het inderdaad. Ik heb alles in de hand en het gaat goed. Ik maak geen fouten tot nog toe. Ik geniet, ik ga, ik geef niet op. Het is nu druk op de Doddaarsweg. Vorige week toen ik hier fietste, was ik alleen. Vorige week…. toen zaten we in de auto  en was de vakantie pas net om. Ik denk aan de bergen die zich straks pas zullen bewijzen. Ik weet niet meer of we wind mee of wind tegen hebben. Ik ga alleen maar door en door. Ik haal MB in en juich haar toe. ‘Je gaat goed’ roept ze en van haar kan ik het hebben. Ik weet dat ik dadelijk de vertraging in ga bij de bochten. Ik ben erg blij dat ik vorige week dit stuk nog verkend heb. toen deed ik 2,5 uur over 60 kilometer, nu heb ik daar maar twee uur voor nodig. Ik reken me niet rijk, maar ben me wel bewust van de winst. Ik trap zelfs even door om de 60 toch echt in 2 uur te halen, een klein momentje streberigheid! Ik haal op de Adelaarsweg nog een hele groep in tegen de brug op. Dan zie ik een ziekenauto en er staan meerdere auto’s en opeens is de angst terug. De groep kan mij weer inhalen en de zin is op. We gaan door het bos en ik vind het fietspad echt akelig glad. Ik moet weer plassen, maar hier kan dat niet. Te druk. Te eng. Straks vlak voor de post maar. Dan kan ik water pakken om te spoelen. Nog een bocht en dan de Winkelerweg op. Nog steeds verbaas ik me over de landbouwactiviteiten. Ik zie kerels stoppen om te piesen. Naast de jurymotor, die ook moet! Oneerlijk. Ik vertraag en plas weer. De weg is langer als ik dacht en ik heb de gel ook iets te vroeg genomen. De vorige twee waren best ‘lekker’ (als dat voor een gel kan), deze orange valt wat tegen. Ik neem water aan, spoel de gel weg, spoel mijn been nat en gooi de bidon net buiten de trashzone weg. Ik zeg er nog sorry bij ook. Onderweg ligt best wat troep, eigenlijk. En dan de bochten. Het is echt druk, ik snap niet hoe dat komt. Achterblijvers op de hele, mensen die voor mij lagen op de halve? Stayeren is hier soms onvermijdelijk. Er rijdt een auto met een tijd, maar ik snap die niet. Welke tijd is dat? Voor de hele? Ik raak in een roesje en laat het genieten even achterwege. 15 Kilometer is nog best een stuk opeens. Wind tegen komt nog. En een stukje onbekende route. De drukte. Het is me wat veel. We rijden over de drukke weg waar ook auto’s naar de Eemhof rijden. Een treintje. Niet mijn tempo. Ik haal in. Mag dat? Kan het? Dan de Stichtste Brug onderdoor. Daar zit RO! In de penalty box. Dat kan niet. Dat past totaal niet. Ik herken zijn stem. Hij zit in een warmte deken. RO? Mijn wereld draait om. Wind tegen. We mogen op de dijk rijden, op de weg zelf. En dan is het terug: dat ik daar rijden mag en kan en dat ik daar ben en dat het mooi weer is: Anke en de fiets smelten samen en we trappen. De één na de ander halen we in. Ik snap het niet: heb ik als enige geen wind tegen? Hoe kan ik nog steeds 30 kilometer per uur rijden? Ik herinner de fietstraining dat ik achter JC en DR mocht hangen. Al die rottige fietstrainingen. Ik haat ze. Wat doet RO daar toch in de penaltybox? Ik neem de woede mee en ga als een dolle de fietser die iets kapot heeft en herrie maakt voorbij. Ik mag tot de Manegeweg, dan moet ik me weer intomen. Wacht even, heb ik die 90 kilometer zomaar gefietst? Ik bedoel…. Ik haal het niet in drie uur, maar toch… Ga ik dadelijk echt twee sporten afvinken en er dikke smileys bij zetten? Als ik met een beetje pijn afscheid neem van de dijken, scheurt Youri Severin me voorbij. Die durft wel de bocht door zeg. Het overzicht ben ik al lang kwijt. Ik schakel wat terug en ga terug richting de TA. Ik zie Merijn langs de kant: moet die niemand coachen ofzo? Hij herkent mij gelukkig wel. Roept me na dat het er goed uitziet ofzo. Als we bij het Weerwater komen, raak ik overdonderd. Daar lopen al vele mensen: hoe komen ze daar, daar is veel publiek, daar is onrust. Ik moet de bubbel uit en dat is lastig. En weer moet ik plassen. Hoe? Al die dagjesmensen! Nee! Vlak voor de ziekenhuisbrug doe ik het toch maar. Hopelijk vergeet ik het dadelijk als ik de sokken uit moet doen. Ik heb al bedacht wat ik doen moet: op tijd losklikken, afstappen, doorlopen en gaan hardlopen. Dit is de eerste keer dat ik niet opzie tegen het uitklikken. Het gaat dan ook soepel. Afstappen, lopen, een snelle VIP voorlaten, horloge lappen. Ik doe de bril af en schrik. Weg oranje wereld. Alles is wat grauwer even. Ik zet met enige spijt de fiets weg. Zie Rob in een ooghoek denk ik. Ik ren een beetje naar de tent en dat voelt goed. Laat het maar komen!
In de tent zit SG. Maar zo weinig voor me? Zij gaat net weg en doet haar ding nog in de tent. Ik prop alles in de tassen. Baal even dat ik de verkeerde sok in de verkeerde schoen heb gedaan. Ga ik het koud krijgen? Nee. Jasje uit. Twee gels in de trisuit proppen. En nu rennen. In wat ze de arena noemen is het stikdruk. Ik zie HL eventjes denk ik. Voor mij is de onrust lastig. Ik zie KT en ze spreekt me echt moed in wat ik goed hoor, begrijp en versta. Dank KT, ik zal naar je uitkijken. Ik heb de grootste moeite mijn startnummer recht te doen. Nieuwe nummerband, dit is een onding. Ik weet niet zeker of ik papa en mama al zie. Bij het hotel is het glad. Omschakelen. Cheerteam uit Belgie: die versta ik tenminste. De glimlach is terug. Ik loop achter een vrouw met hetzelfde tempo. Dit gaat goed, dit voelt goed. Dit kan ik. Ik zei vanmorgen tegen PL: zwemmen is het leukste, lopen het gemakkelijkste. Ik loop onder de 5:30. Een engelsman spreekt me aan dat ik zo soepel loop. Hij moet 6 rondjes en ik krijg hem moeilijk duidelijk gemaakt dat ik er maar drie hoeft. Hier is meer publiek. Het is ook droog en warm. Mijn afstandmeting is anders als de hunne, scheelt zomaar 300-500 meter. Aparte zaak. Ik herken weinig mensen. Hoekje om en daar is Manuel. Ik wil niet drinken! Maar ik moet en ik doe het ook. Ik merk net te laat dat ik een gel kwijt ben geraakt. Ik zou bij post 3, post 2 en post 1 en 3 een gel nemen. Nu heb ik niet genoeg! Of wel? Manuel staat voor post 2. Van het ontbrekende gelletje raak ik even in paniek, even de controle kwijt. maar de focus verschuift weer snel: ik loop hard. Gemakkelijk en hard. Het blijft onder de 5:30 zitten. Alle zorgen voor straks zijn nog ver weg. De bult op is een eitje voor mij. Raar. Ik zie mensen op de busbaan fietsen, mag dat wel? Voor me zie ik SG. Ik ga haar pakken, hoe dan ook. De mensen op de busbaan blijken SJ en M te zijn voor SG. SJ zegt dat het er erg goed uitziet bij mij. Ik wil en kan hem niet antwoorden. Bedenk inderdaad: nu nog wel, nu ziet het er nog goed uit. Ik haal SG en ze stelt mij en M snel voor. Een andere keer meer. Ik blijf achter de vrouw met hetzelfde tempo. Dat ga ik niet volhouden, weet ik. Maar nu wel. Ik werk de 6 kilometer in een half uur af. Die van mij of de hunne? Ik weet het niet. Zo haal ik het met de gels. Ik neem de eerste. Deze is gewoon vies. Ik krijg ‘m moeilijk open. Water om het weg te spoelen, ik stop niet, maar drink rennend. Waar is Joyce? Dit is ronde 1: verkennen. Dadelijk een ronde consolideren en dan nog 1 rondje knallen. Dat is het plan. Langs post 4, waar heel veel herrie is. Veel teveel onrust om bij ons Lumiere-zwemstrandje stil te staan. Dan de modder in het bos. En daar is Joyce. Ik roep haar luid en duidelijk toe dat ze moet zorgen dat Manuel een open gel voor me klaarhoud. Hoe ze dat gaat doen zal me wat, maar ze begrijpt me. Ik loop nog soepel, al ben ik mijn voorgangster kwijt. Tentje van de Frysman, op naar de Arena. Ik kijk goed of ik bekenden zie en hier en daar hoor ik mijn naam. Het nieuwe waterzakje neem ik aan, maar dit concept is niks voor mij: ik krijg het wel erg moeizaam open als ik een gel al niet red. Ik zie papa, mama en Rob en Vincent. Het gaat mij nog goed. KT zie ik helaas niet meer. Het gladde stuk is beter nu. GN roept me toe hoe soepel het er uit ziet, dat ik er toch maar mooi ben en dat ik dit doe en dat ik door moet! Klopt, ik loop hier maar mooi. Het is niet meer of minder dan dat, ik weet nog dat MB het me zei tijdens de crossjes. Ik dóé dit gewoon. Ik keek op de klok die ik net kon zien en heb nog maar een uur voor 2 rondes om het binnen de 6,5 uur te halen. Kan niet dus. Jammer dan. Ik sla de post over en ga richting de tien kilometer. Volgens hun bordjes zet ik weer een toptijd neer, mijn horloge meld ook dat ik dat binnen 55 minuten afgehandeld heb. Ik zie Manuel alweer en hij heeft de gel vast en roept dat die open is. Ik vergeet er 1 mee te nemen. Ik wil geen sportdrank meer. Merijn staat er ook. Ik neem water bij post 2 van een meisje wat mij extra aanmoedigt omdat ik van de TVA ben en dan weer de heuvel op. Tegen 12 kilometer merk ik dat ik het lastiger ga krijgen. Ik moet vertragen en dan begint het Grote Gevecht. 8, nee 9 kilometer tegen jezelf vechten is verschrikkelijk. Het genieten ebt weg. Voorbij de busbaan op de kruising fietst KH me voorbij en ze roept me toe dat het geweldig is. Dat doet me goed te zien dat zij nog leeft en stevig bezig is. Het houdt maar even stand, ik tel af. De gedachte aan wandelen komt op. Ook aan opgeven. Maar dat gaat niet gebeuren. Ik denk nog even aan de nuchtere duurlopen waarvoor ik LK heb vervloekt in D1, maar die hebben me hier ook niet op voorbereid. Post 3. Herrie. Ik drink nog wat water, maar hou het nauwelijks binnen. Ik zie Joyce: ze gilt me moed toe; dat ik het kan, roept ze. Alles in mij schreeuwt het uit van niet. Gelukkig deze keer niet hardop! Tjardo Visser zeilt mij voorbij en ik benijd zijn gemak. Ik haal nog mensen in, ik blijf rennen. Hoe ik nog een ronde door moet, weet ik echt niet. Frysman tentje. KvH staat op de brug en juicht me uit volle borst toe. Ik denk aan vanmorgen toen niemand me kon helpen. Blijkbaar blijft het er soepel uitzien, al voelt het rampzalig. De arena overdondert me. Voor iedereen die daar staat, ga ik door. Ik knik ‘nee’ tegen Rob en papa. Dit voelt zo onmogelijk. Zoiets als die laatste kilometers marathon. Maar dan onoverkomelijk. Bij post 1 ga ik over op cola. Dan deze laatste ronde maar op cola. Nu maakt het niet meer uit. Als ik nu ziek word, kan het niet erger worden. Dit is overleven en doorgaan. Tijden, afstanden: alles kan me gestolen worden. Genieten is er niet meer bij. Al ga ik 7 minuten lopen op de kilometer, ik ga het afmaken. Dat is het enige doel. Ik haal een man in die roept hoe het kan dat ik nog zo lekker loop. Zo voelt het niet. Een andere clubmaat wandelt: zwaar he, zegt hij. Ja!! roep ik. Ik zie Manuel, roep tegen hem dat hij naar de busbaan moet komen en neem de bidon aan en drink nog wat sportdrank. Ik gooi de bidon weg naar de voorzitster wiens naam ik vergeten ben en SJ. Merijn staat er nog en heeft de enige juiste tekst: Doorbijten Anke, je komt er wel. Ik ben woedend op hem, op zijn stomme idee en hij krijgt de schuld: die woede houdt me aan het hardlopen. Water aannemen op de post van het meisje dat de TVA toejuicht voor de derde keer. Alles in mijn wil wandelend de heuvel op en heel mijn hersenen worden in beslag genomen door die ene vraag:
hoe maak ik in ‘s hemelsnaam dit rondje af? Manuel komt naast me fietsen, maar ik kan alleen maar fluisteren: ik kán niet meer. Zo voelt het. Het kán niet meer. Ik kijk uit naar de douche, naar de finish en naar een bad. In een soort van die volgorde. Dat ik het zal afmaken, staat vast, maar nu weet ik niet hoe. Manuel gaat terug bij post 3. Ik neem cola aan en krijg twee slokken binnen. Ik kan nu wandelen, nu Manuel weg is. Dan zie ik een vrouw voor me rennen. De laatste houvast: ik zou haar graag inhalen. En dan de druppels. Die een enorme bui worden. Even is de grote grijns terug. Mijn persoonlijke douche! Ik ben blij met de regen, de verkoeling, de afleiding. Ik haal de dame in. 17 of 18 Kilometer: Vincent, ik kom er aan. Nog 20 minuten. Ik kijk niet meer naar kilometertijden, durf niet. Voor mijn gevoel is het 6:50 per kilometer (dat zal meevallen achteraf). Het boeit me ook niet meer. Halen, finishen is het enige doel. Nog twee flinke slokken cola op de laatste post. In het bos loop ik te kokhalzen. Ik ben nu toch al nat en vies en smerig. 19 Kilometer. Nog een kwartier. Nog maar een kwartier doodgaan. Kom op, het gaat goed; roept Joyce. Ik krijs nee!!!!! en ren door. Ik ben nu te nat om nog te gaan wandelen, dat koelt teveel af. Dat is het enige besef wat doorkomt. Doorrennen. Stap voor stap. Ik weet ook dat ik dadelijk weer redelijk snel bij kan komen, maar die kennis helpt mij nu niets. Frysman? Bewaar me dat ik ooit een hele ga doen. Nog 1 keer het bruggetje over. Ik ga het halen, maar het daalt niet in. Die laatste kilometer zal de zwaarste ooit worden. Ik zie niemand meer, voor me loopt een vrouw die ik ook op de fiets inhaalde en zij mij weer. Ik kan het niet meer opbrengen haar voorbij te gaan. Ik loop de drukte in. Ik blijf rennen. Papa’s hand negeer ik, de kracht mist voor een high 5. Ik zie hem wel. En dan de klok: 6:28 – ik ga het binnen de zes en een half uur halen ook nu! Ik juich als ik het gehaald heb. Ik ben ongelooflijk blij.
 

Niet trots. Ik krijg een warmtedekentje om en de medaille. Vincent staat daar en ik ben helemaal stuk. Manuel komt er ook aan, maar ik wil Rob. Ik wil uithuilen bij Rob. Het is voltooid. Gedaan. Klaar. En het grootste deel was genieten. Geweldig. Ik huil uit bij Rob en dan moet ik doorlopenen naar binnen om warm te worden. Ik heb het niet koud hoor. Of ik merk het niet meer. Ik kom JL tegen. Dat helpt wel even. Als ik de bankjes zie binnen is het op. Ik sla de deken om me heen en jank een potje tot iemand me komt vragen of het wel gaat. Ja hoor. Eigenlijk wel. Dan pas besef ik dat ik het ruim binnen de 6,5 uur heb gehaald, dat ik 20 minuten later vertrokken ben dan de klok gestart is. Laat mij maar even alleen. Ik ben woedend, uitgeput, verdrietig, gelukkig, kapot en blij tegelijk.
Ik haal mijn spullen en wil alleen maar onder de douche. Ik trek de troep uit, de douche is prettig en ik praat met een andere vrouw in het Engels. Dat is best lastig. In de gang zie ik MBB: ze straalt en het doet me goed dat zij trots op mij is. Ik laat mijn bovenbenen masseren. Ik mis Rob en het contact met de buitenwereld. Ik ben zelfs bruin geworden! Buiten wachten ze op mij. Ik moet iets eten. Maar als ik bij het buffet sta bij SK en SG (die beiden na mij gefinished zijn) vergaat me de trek. Ik wil weg. Nee, ik wil bij ze blijven. Ik zie mama en Vincent. Ik moet iets eten. Ik wil weg. Ik wil mijn fiets. Ik moet Joyce gedag zeggen. Rob weet mijn tijden: 6 uur en 8 minuten. Ik laat ze op mijn medaille graveren. Ik drink een chocomelk, bij YZ en SG. Zie papa en Vincent. Ga weer naar buiten op mijn slippertjes. Mijn hardloopschoenen zijn te nat geworden. Ik haal mijn spullen en mijn fiets. Ik ga naar huis. Het daalt niet echt in. Ik had vanalles bedacht, alles onder controle voor 105 kilometer lang en dat laatste stukje eventjes niet. Toen heb ik heel diep gegraven. Maar na de finish was er niks meer. Volkomen blanco. Ik kan mijn fiets weer in de schuur zetten. En dan is het leeg. Kan ik nauwelijks meer staan. Draaierig. Papa en mama horen het nog even aan. Als mama het zegt, kan ik wel begrijpen dat het een prestatie was. Maar écht…. dat dringt niet zo door. Was ik snel? Was het goed? Het was in elke geval leuk! Ik eet een bak yoghurt met ananasschijven en krijg met moeite de friet op. Ik heb denk ik het uiterste gevraagd. Ik kon dit en het lukte me. Vandaag is voorbij gegaan.
In antwoord op je appje van vorig jaar Merijn: ja, dit jaar heb ik ook de halve gedaan. Het heeft mij meer opgeleverd dan ik had kunnen denken: al die nieuwe mensen (en de meeste triatleten zijn dan wel geen gewone mensen, maar ook niet arrogant), een ongekende hoop kracht die ik in mij heb zitten, een verslaving aan bewegen en buiten zijn, ik heb mezelf leren kennen. Ik kwam mijzelf tegen. En ik heb doorgezet. Ik heb nieuwe grenzen verkend en dingen gedaan die nooit gedacht had te durven, zoals zwemmen. Ik had nooit gedacht dat ik zomaar 90 kilometer zou kunnen fietsen. het heeft mij veel geld en tijd gekost. Maar ik ben niet geblesseerd geraakt, heb nergens de grenzen te ver overschreden. Ik heb gemopperd, gevloekt en genoten van de trainingen. Ik heb beslissingen durven te nemen die mij mentaal een sterker mens maakten, zoals een trainer opgeven om verder mijn eigen pad te kunnen bewandelen en sterker te kunnen worden en meer naar buiten te durven kijken. Het was een top-idee. Al heeft het me een jaar de tijd gekost om daar zeker van te zijn.

Categories: Uncategorized | Comments Off on De halve triathlon in Almere – Challenge Almere Amsterdam Half Distance

taperweek?

Maandag fietsen. Gewoon zelf een uurtje. Langzaam aan. Niet met de haantjes mee van de training. Daar kan ik niet aankomen met mijn zone 1. Ik breng Vincent weg en ga de andere kant op. Op de dijk ging ik wel even wat harder, maar verder… Geslingerd door de wijkjes. Inhouden, rem erop, lage hartslag. Moeilijk maar o-zo nodig. Klaar met de trainingen voor dit jaar. Ik rauw er geen seconde om. Fietstrainingen zijn mijn lichtpuntjes van de week niet! Rob haalt Vincent en mijn tijdritfiets op. Ik rij door naar Joyce voor een rondje in de avond. Eventjes bijpraten. Door het donker. Weer inhouden, weer afremmen. Het is niet te moeilijk helaas.
Dinsdag zwemmen buiten met MZ het werd snel donker. Ik ging niet zo snel. Gewoon niet. Ik dobberde wat voor mijn gevoel. Beetje bangig. Kon MZ niet zo goed bijhouden. We moeten het er voor zaterdag maar mee doen. Een walvisje ga ik niet meer worden. Gewoon doen wat ik kan met zwemmen en hé, dat is binnen een jaar we erg hard vooruit gegaan!
Woensdag stukje hardlopen ipv koppeltraining. Ik kon het niet meer opbrengen. Weer fietsen paste er niet tussen. Ik breng MB en Vincent naar het zwembad en ik ga zelf rennen. Er staan een paar intervallen. Ik ga naar de brug en kom die verdacht soepel op, ook in zone 3. ik loop naar de andere kant en terug. Dan is de interval op en plak ik er zelf kilometers achter. Het druppelt en regent, maar mij deert dat niet. Zaterdag zal het nog erger worden, vooral op de fiets. Ik kijk niet naar het grote billboard over de challenge. Maar de regenboog boven de afsluitborden treft me. Ik loop door het park verder en dan vermoed ik dat ik de tien kilometer in een uur kan afwerken. Wat doe ik?! Streberigheid wint van verstand. In de laatste kilometers belt Rob en vertraag ik. Toch heb ik maar 58 minuten nodig voor tien kilometer. Ik schaam me en durf het in de kleedkamer niet te zeggen. Dit was het laatste. Ik win er niks mee, alleen een goed gevoel dat lopen me moet lukken.
Donderdag doe ik niks.

Deze plek is voor mijn fiets gereserveerd.


Vrijdag zenuw ik. De therapie helpt me om alles los te laten en te accepteren. Ik leg alles klaar. Ik drink veel. Ik ga het vast kunnen, maar ik zie nog veel beren op de weg. Ik verander ze in vlinders, dan kunnen ze voor me uit fietsen. Samen met Manuel ga ik een half uurtje door de regen rennen voor ik naar de briefing ga en het circus induik. Ik wil alles boven de 7 minuten lopen, maar in de tweede kilometer gaat het mis en zijn we iets te snel. Ik ben gewend aan de regen. Dit was het dan. Nu kan nog maar 1 ding doen: starten en afmaken.
Zie de blog van de wedstrijd.
Zondag ben ik onrustig. De rest van het leven gaat verder. Ik heb lang geroepen dat ik nu piano ga spelen en nooit meer ga sporten. Maar dat is natuurlijk niet waar. Ik moet nog uitfietsen en als er iets is, wat ik wil is het uitfietsen. Mijn eigen ding. Niets meer moeten, geen beperking, het bord zoeken waar ik zo om moest lachen. Ik merk al snel dat ik niet meer bang ben van de klikpedalen. Dat de wereld leuker is in het oranje. En dat ik van de rust en de stilte op de polderwegen hou. Ik neem de wind graag mee. Nog geen uur fiets is, ik word er niet moe van. En ik weet het zeker: hier eindigt mijn sportcarierre nog niet.

Categories: Uncategorized | Comments Off on taperweek?

Nog een weekje in de bergen

Maandag 28 augustus: Na een lekkere wandeling op hoogte langs de Silvrettasee met zijn drietjes mocht ik ‘s avonds nog een stukje hardlopen. Ik vroeg na het eten aan Vincent: ‘ga je mee?’ en rekende op een nee, maar hij riep “ja!” en ging zich omkleden. Het wordt hier snel donker, dus veel tijd hadden we niet. We gingen omhoog en hij liep maar te kwebbelen. Ik heb Vincent altijd geleerd dat je gewoon door moet lopen op je eigen tempo, maar daar had ik vanavond spijt van! Zijn tempo gaat maar door en door. Ik verschuil me achter de telefoon, de route, een fotootje maken, maar dat ventje hobbelt door. De ene mop na de andere vertellend. Door het gras omhoog, door het bos naar beneden: het hobbelt en kwebbelt door. De meeste moppen kende ik wel. We namen een verkeerde afslag. Ik durfde in verband met de duisternis niet een andere route te zoeken. We zagen wel hertjes staan. Terug over het asfalt en weer 4 moppen later gingen we weer omhoog. Voor Vincent geen excuus om langzamer aan te gaan, nee, voortdurend een pas of 2, 3 voor zijn moeder blijven teuten. Stilte is ook iets wat je moet vermijden blijkbaar. We gingen naar de waterval. Die maakte indruk! Een foto konden we niet maken, want het werd al wat donker in die hoek. Terug naar het asfalt, nog een stukje omhoog en gelukkig zei Vincent dat hij ook wat moe werd en spieren voelde. Dat laatste heb ik niet meer. Toen door het gras naar beneden. Heerlijk! Inmiddels ging de zon onder. In het dorpje beneden gingen de lampen aan. Vincent kwebbelde maar verder. Ik zei nog: luister eens naar de beestjes, maar dat is “saaaaaai”. Dus luisterde ik naar verhalen uit zijn boek en van de film. Terwijl ik omhoog ‘zwoeg’. Het werd inderdaad weer snel donker, maar ik wist dat we na de volgende bocht het kerkje al zouden zien. Ik bedacht me toen pas, dat het kleine ventje al zomaar dik 5 kilometer achter elkaar bleef hollen. Is dat wel goed voor die kleine beentjes? Bij het kerkje was het eigenlijk al donker. Uiteindelijk renden we 6 kilometer. Wow. Voor hem dan! Ik was ongeveer net zo snel als vorige keer dit rondje, maar…. nu lag mijn hartslag tien slagen lager! Dat is toch wel vooruitgang zeg.
Dinsdag 29 augustus: Slecht slapen, rustig aan opstaan, brunchen, een spel spelen en dan is het tropisch warm buiten. Het moment om te gaan rennen en zwemmen – NOT. Maar ik wilde wel graag en Rob kon me ophalen. Ik bond mijn achtje op de rugzak en ging even over enen naar buiten voor 12 kilometer naar het zwembad over de berg. Al na 500 meter werd hardlopen snel doorwandelen. Ik ken deze route, dit stijgt enorm, dit ligt i de volle zon en de opdracht luidde tempo duurloop 1. Ik had er al duurloop 2 hartslag van gemaakt, maar ook dat mocht niet baten: boven de 140 kwam ik vaak uit. Ik druppelde leeg, de zonnebrand liep in mijn ogen en dat doet PIJN. Ik wandelde alleen maar door. De eerste drie kilometer wandelde ik. Flink door, dat wel. Zonder pauze. Ik was blij met mijn petje tegen de zon. Na 2,5 kilometer had ik het wel een beetje gehad. Zou ik niet gewoon omkeren? Naar het zwembad rijden? Ik overwoog het. Serieus. Toen was ik boven. Op een fijn onverhard pad. Het bos in. Omlaag. Koelte. Tempo oppakken en genieten maar. Nog 9 kilometer leukigheid te gaan. Ergens stond een bord dat de mountainbikestrecke gesperrt was. En een soort slagboom. Ga je dan terug? Omhoog? Zonder alternatief? Ik ben nu een keer geen mountainbiker. Er was niets in dat bos. Stilte. Uitzicht. Rust. Een gel. En veel water drinken. En eindelijk een lekker tempo. De tweede serie van 3 kilometer vloog voorbij. In de schaduw en haarspeldbochten. Ik begon er werkelijk plezier in te krijgen. Tot ik de werktuigen zag staan. En een boze Oostenrijker mij vertelde dat ze steenblokken over het pad gooiden. Dat ik geluk had gehad dat hij nu beneden werkte. Dat ‘gesperrt’ niet voor niks daar staat. Maar ik mocht verder lopen, dat was veilig. Zo voelde het niet. Ik kon nog sneller omlaag. De grootste pret was er vanaf. Ik schaamde me ook een beetje. Het uitzicht was wel erg mooi. Ik kwam nog een keer in een soort baustelle terecht, maar daar kon ik omheen. Het voelde niet veilig meer. In de verte en diepte zag ik het zwembad al liggen. Ik wilde beneden zijn. Dacht ik toen. Inmiddels was ik bijna 10 kilometer onderweg en ik begon er een beetje genoeg van te krijgen. Gelukkig nog maar 2 kilometer, maar ik was al bang dat het meer zou worden. Ineens kwam ik in het dal. Daar was het heet. Bloedheet. Nog heter dan boven. Asfalt. Mijn darmen speelden een beetje op. Ik kwam een groepje jongeren tegen die hun lama’s uitlieten! Met een plattegrondje op de telefoon zocht ik de route. Het was echt warm en ik dronk de camelbag leeg. Ik vond het afzien die laatste kilometers. Natuurlijk werden het er toch 14.
Het was druk bij het zwembad. Veel auto’s, veel mensen. Ik kon er wel bij en wilde naar een WC. Ik dwaalde even rond en zag het 50 meter bad aan voor een 25 meter bad. Ik belde Rob dat ik veilig aangekomen was. Er waren gelukkig lockers, anders was het feestje niet doorgegaan. Ik sprong in het lange bad met het idee: 200 meter inzwemmen, 30 baantjes (!!) en 200 meter uitzwemmen. Of: zolang het lukt. Eventjes voelde 24 graden water koel aan, daarna verfrissend. Ik moest veel slingeren de eerste baantjes. Veel schoolslagzwemmers. Ben ik wel gewend. Ik miste mijn voorganger van de TVA. Ik ging zelf de baantjes tellen, want het horloge overschatte mij schromelijk. Ik vind 50 meter prettig. Het bad was ook prettig: schoon, helder, mooie reflecties. Het ging best goed, al is mijn techniek maar matig. Ik oefen nu vooral op endurance. Na 5 baantjes hield ik even pauze. Gaf het bord aan dat het 31 graden was! Nog een keer 5 banen gingen ook goed. Na 12 baantjes werd het zwaarder. Ik lette niet meer zo op de techniek. Baantje 17 deed ik op tempo. Dan zit ik net onder de 2 minuten (1:55 ofzo) en dat is best oké voor mij. Zeker na 14km hardlopen door de bergen. Uiteindelijk wilde ik de 2o baantjes halen. En toen zwom ik 100 meter zonder pullboui. Die waren het zwaarste. Ik zwom nog 200m uit om op de 2500m te komen. Net niet binnen een uur, maar daarvoor was het net te druk in het bad. Toen ik het bad uitklom, was ik weer eens dizzy. Ik wandelde even rond, belde Rob of hij me kwam halen en droogde snel op. Ik had vooral trek. Die zijn we bij de McDonalds gaan stillen!
30 augustus: rustdag. Een half uurtje in het kleine Landal zwembad met paddles gezwommen. Dat gaat beter, maar is best zwaar. En het half uur duurde lang. Na 25 minuten zonder paddles gaan zwemmen en toen zijn we lekker met het balletje gaan spelen.
31 augustus: We gaan eerst met de driewielers naar beneden scheuren. Dat is onverwacht leuk! We zijn weer bij het hoger gelegen Landal Park. Vincent wil zwemmen, Rob vindt het prima erbij te blijven en ik wil hardlopen. Even denken wat ik dat wil…. Ik ga eerst naar beneden deze keer. Heerlijk: dat gaat super! Asfalt, geen zon (het zal veel gaan regenen hier) en afdalen zonder rugzakje: eindelijk een lekker tempo! De eerste twee kilometer gaan in 10 minuutjes voorbij. Onderweg maak ik nog een fotootje. De derde kilometer gaat ook nog goed. Ik sta bij ons huisje, een stuk lager. En ik weet wat er komen gaat: stijgen!! Ik blijf hardlopen en dat lukt de vierde kilometer ook nog prima, maar de vijfde kilometer is afzien. Ik wil, moet en zal (van niemand minder dan mezelf) blijven hardlopen, al zijn het ministapjes, al druppel ik leeg, al is het nog zo moeilijk! Ik doe er mijn tijd over en dan ga ik de zesde kilometer flink door wandelen om het verschil te bekijken. Ben je dan echt langzamer? Het lijkt iets minder hard te stijgen, dus ik zou weer kunnen gaan rennen, maar ik loop door. Ik neem de kleine omweg. Het maakt niet uit of je rent of wandelt. Qua tijd. Ik pak het hardlopen weer op, want ik wil de mensen voor mij inhalen en ren naar de Rona Alpe. Intussen ken ik de weg een beetje! Hoe leuk is dat? Bij Rona Alpe neem ik weer een slok water en dan weet ik dat het alleen nog maar omlaag gaat. Ik voel de eerste voorzichtige druppels. Ik hoeft niet meer te zwemmen dadelijk: ik ben aardig moe van deze krachtsinspanning. Na een uur en nog geen 9 kilometer vind ik het zat, ben ik rond en heb ik trek. Eindelijk een gemiddelde tijd onder de 7 minuten! Net dan 😉
1 september: Er was de hele dag regen ‘beloofd’. Ik zou moeten lopen voor het ontbijt, maar ik was laat wakker en lopen in de regen zonder eten tegen de heuvels op, dat trok me niet. Dus eerst ontbijten en rond 10 uur trokken de wolken weg. Meteen mijn kans nemen! Om kwart voor 11 ging ik op weg naar “boven” om souvenirs te kopen. Rugzakje en centjes bij me, lange broek aan (de temperatuur is ook zomaar 10 tot 15 graden gedaald) en regenjasje aan. Ik ging over de weg naar boven. De lange slingerweg naar het andere park. Nietemin gaat het stijl omhoog. En dan maar volhouden. Kleine stapjes en doorgaan. Ik had zicht op bergen met sneeuw op de toppen. De wolken trokken steeds meer op. Het ging goed. Niet hard, maar wel goed. Niet eenvoudig, maar wel warm! Ik bleef rennen. Bocht na bocht. Meter voor meter: omhoog. Het bleef droog. Qua regen dan. Niet qua zweetdruppels. Ik kocht het sneeuwbeeldje en de souvenirs voor Vincent. Omhoog kost (veel) meer tijd dan naar beneden! En toen via de andere route verder. Kijken hoe lang het droog blijft. Maar het werd steeds mooier weer. Ik zag zelfs een sprankje blauwe lucht! En een (letterlijk) waterig zonnetje. Ik besloot ook langs de waterval te gaan. Want er was wel veel meer water door alle regen. Eigenlijk is het weggetje naar ons huis te stijl: te hard omhoog om te kunnen blijven rennen en omlaag te stijl om goed door te kunnen rennen. Ik krijg bij een stevige afdaling last van steken in mijn zij. Vlak voor me holde een schattig eekhoorntje over. Hij bleef zelfs eventjes zitten voor een foto. Ik probeerde een shortcut, maar kwam bij een huis uit. Ik kwam even op adem en realiseerde me dat ik hier nooit meer terug zou komen. Ik nam de afslag naar de waterval en het bos op weg naar de tien kilometer. Het bleef gewoon droog namelijk! Het gras echter was nog nat. Maar deze schoenen hoeft ik niet meer aan. Het bos was best een beetje akelig. Glad, erg onverhard en ongelijk. Nu heb ik dat bos in alle hoedanigheden wel gezien. Daarna wist ik het weer niet: ik wilde bovenlangs het pad zoeken dat over de berg naar de waterval leidde. Dat lukte niet. Er leek geen pad te zijn, ik moest klauteren door het bos en kwam weer op de weg. Ik realiseerde me dat ik al een hele tijd onderweg was, zonder extra water en voeding en dat ik vermoeid raakte. Niet koste van het kost naar de waterval willen gaan dus. Terug over de asfaltweg naar het appartement. Dat ging moeizaam, ik voelde me vermoeid. Uiteindelijk liep ik nog naar de andere waterval vlak bij ons huisje om tien kilometer te halen. Ik doe er wel 80 minuten over. Thuis ben ik eventjes stuk, maar binnen tien minuten zitten we aan een broodnodige lunch. Mijn stellige voornemen om met de auto naar de waterval te gaan, zodat Rob die ook kan zien, wordt verwisseld voor een wandeling. Ik draai er mijn hand niet voor om. De waterval is prachtig. 4 Kilometer wandelen is een eitje. Even later valt wandelen door de stad met zowat 5 kilo chocolade in de rugzak me zwaar.
Toch wilde ik nog best gaan zwemmen ‘s avonds. Waarom niet? Even rustig aan. Het was druk in het bad. Onrustig druk en donker. Uiteindelijk dook ik er in en ging ik slepen voor dik 5 minuten, toen 5 minuten gewoon zwemmen en tot slot 5 minuten proberen door de zwemmen. Ik moest veel slingeren en veel opletten. Ik verviel snel in gewoon zwemmen. Ondertussen even gedold met Vincent en toen het zwemmen weer opgepakt. Ik probeerde met minder slagen naar de overkant te zwemmen, maar dat is het lastig in dat kleine badje. De laatste minuten zwom ik met paddels. Na een half uur vond ik het wel weer leuk geweest.
Zaterdag was een enorme rustdag, een reisdag.
Zondag kon ik het niet laten: ik wilde zo graag fietsen! En ook niet. Ik zie op tegen het fietsonderdeel, want -hemel- wat is drie en een half uur trappen lang, maar aan de andere kant: ik ken een stuk van de route nog niet en dat wil ik wel verkennen. Dus ik pak mijn racefiets en ga op pad voor de middag. Het is lekker weer, windstil bijna en niet te warm of te koud. Ik slinger door de stad en kom lastig ingeklikt. Omdat ik dat het engste onderdeel vind denk ik… Eenmaal op de lange rechte polderwegen vind ik alles best: ik ga gewoon. Mijn tempo, mijn hartslagje, ik doe wat ik kan en wil. En dat is fietsen. Lange rechte stukken fietsen. Laat de anderen mij maar inhalen: vandaag fiets ik gewoon wat. Over de Dodaarsweg. Dan heb ik volgende week de nare Knardijk tenminste gehad. Dit gaat mij oké voor nu. Ik ben alleen. Heerlijk. De politie staat te flitsen op de Vogelweg. Ik ga rechtdoor en maak een foto van de borden die er staan. Dan komt het nieuwe stuk: het is vrij eenvoudig te volgen. Ik heb een kaartje bij me. Bewaard van vorig jaar… Nu weet ik niet meer waarom ik dat toen deed. Ik zie wel een brugje, maar daar loopt alleen een fietspad heen. Er moet een grotere weg zijn lijkt me. Ik fiets door tot ik toch echt te ver ben. Dan kijk ik op mijn kaart en keer om. Ik drink eens voldoende. Het was toch het fietspaadje. Ze zijn er nog niet met borden denk ik, want vanaf nu staat er niets meer. Het is een mooi fietspad door het bos en ik geniet alvast. Volgende week ook graag. In de schaduw is het lekker koel. Dan ga ik de Flehiteweg op. Hier ben ik nog niet vaak geweest. Ik zie wel andere fietsers. Ik kom op de Winkelweg en dan pik ik wat tempo op. Ik vind dit best leuk en de tijd gaat wel voorbij ook. Hier ben ik werkelijk nog nooit geweest. Als ik weer even twijfel, wordt ik door twee kerels ingehaald die daar duidelijk hetzelfde fietsen als ik. Bedankt voor de route-aanwijzing. Ik ga richting de A27. Verder heb ik geen idee waar ik blijf. De kilometers rijgen zich aaneen. Per vijf. Volgens mij pak ik nog een verkeerde afslag, want ik moet 2 keer wachten bij een stoplicht voor ik de A27 onderdoor kan. Is er volgende week toch nog een verrassing! Ik kom op de dijk en daar pak ik nog een keer een heel stuk tempo mee. Dat is toch wel echt genieten hoor! Ik begin te geloven dat ik de drie uur volgende week wel volmaak. Op een betere fiets, op betere voeding, met voorrang. Ik ga de stad weer in en dat vertraagt: andere fietsers, hardlopers op het pad, wandelaars. Voor nu is het me best. Ik zet het doel op het halen van 60 kilometer. Ik steek de stad door en weiger het hele Spoorbaanpad te nemen. Ik voel me alweer beter op de fiets. Om net de kilometers te halen, ga ik via het pad wat een beetje om is, maar kalmer. Na 59 kilometer stop ik om een afspraak te maken bij de kapper. Ze vinden het leuk dat ik na het fietsen bij de kapper kom, en ik vind 59 kilometer niet om over op te scheppen. Raar hoor, voor mij een stukkie. Volgende week nog 30 kilometer meer. Nu deed ik er 2 uur en twintig minuten over. Dus in 3 en een half uur moet me dat volgende week (onder betere omstandigheden) wel lukken. Als de beren zich maar van de weg houden……..
Uiteindelijk heb ik deze week gewoon doorgetraind en zijn er 9,5 uur in het schema gevuld. Volgende week…. dan….

Categories: Uncategorized | Comments Off on Nog een weekje in de bergen