Drie dagen rust…Drie dagen niks staat in het schema.
Mooi weer, ik voel me goed, ik twijfel, en twijfel nog meer, maar ik ga toch!
hoe lang?
hoe ver?
welk tempo?
waarheen?
Ik heb geen idee! Ik hoeft niks, geen hartslagzone, geen tempo’s, geen prestatie, ik ga gewoon lekker.
Ik huppel bijna naar het Kotterbos. Mijn pad. Het is allemaal heerlijk bekend. Ik heb muziek opstaan van Maev. Ik ga soms sneller als ik zin heb, ik ga kalmer als ik denk dat dat nodig is. Ik kijk om me heen en de enige piepjes uit het horloge zijn de kilometers. Ik kijk deze keer lekker wél naar de kilometertijden en ze verbazen me. Ik blijf rond een gemiddelde hartslag van 147 hangen en loop dan 5:50 gemiddeld. Zone 2. En dat voelt heerlijk goed aan.
In het bos gaat het iets langzamer, maar 6 minuten komen er niet aan te pas. Onverhard he.
De natuurbrug over. Ik zie alleen in de verte een familie wandelen, maar ik kom helemaal niemand tegen. Dat is prettig rustig. En dan zie ik de hertjes.

Ze staan net zo stil als ik en we gaan tegelijk weer verder ook! De lucht is prachtig donkerblauw. Ik ga de heuvel op en de kuddes paarden en herten aan de overkant in de Oostvaardersplassen achter de spoorlijn zijn puur natuurschoon.
Ik ren verder door het bos en vind dat ik mezelf zou moeten inhouden, maar ik doe het niet. Ik ga gewoon lekker! Kilometer 5 en 6 beginnen wel met 6 minuten, maar ik heb er stilstaand foto’s in gemaakt. Ik kom weer op gang en de tijden komen weer in de vijf uit. Ik laat me niet afleiden. In kilometer 7 moet ik wachten voor een auto en toch ligt de tijd op 5:57. Als ik de stripheldenbuurt in ren, begint het licht te druppelen. Verkoelend. Mijn tempo gaat er van omhoog (5:42 dat is 10,5 km per uur) en mijn hartslag ook (tegen de 160). Een mevrouw op de fiets wenst me een droge overtocht naar huis, dat lukt me vast wel. Ik zet een tandje bij, dat wel.
Ik slinger door de wijk, neem gas terug en ik blijf genieten. Ik loop nog een blokje heel erg rustig uit rond het huis om op de 9 kilometer te komen en daar heb ik dan 55 minuten over gedaan. Ik heb het gevoel iets gedaan te hebben wat eigenlijk niet mocht (van de trainer, die er vast een goede bedoeling mee had), maar ik ben ook blij dat ik het zo zonder welke druk of verplichting dan ook gedaan heb. Het was lekker!
Ongedwongen rondje door het bos
Beesten, Bruggen, Bos en Buikkramp.
Een extreem langzame duurloop. Wat is extreem langzaam? Dat is zone 1. Hartslagbeperking op 135 hartslagen per minuut.
Natuurpark Lelystad. Die stond nog op de lijst. Loopmaatje had een parkeerkaart. Route van 15 kilometer op de GPS. Voor 1 uur en drie kwartier. Zou moeten lukken. Natuurpark Lelystad is een overloop-park van Artis. Er zitten dieren die hier in Lelystad de ruimte hebben gekregen. Maar voor onze ronde is alleen dit park te klein. We steken de A6 en de Vaart ook over om naar het Gelderse Hout te gaan.
Op de toilet in het park ontdekte ik dat de periode van het maandelijkse ongemak weer aangebroken was. Ik had water bij me, en rozijntjes en zakdoekjes, maar verder niets. Maar toch gaan hardlopen he. Op een sukkeldrafje. Al snel kwamen we de wilde zwijntjes tegen met hun jongen. Beesten!
We liepen op half verharde paden. Het was heerlijk weer, lekker warm, maar nog niet zonnig. Ik had mijn korte broek zelfs aan en korte mouwtjes ook. Hoe we liepen? Geen idee eerlijk gezegd. Misschien moet ik volgende keer de GPS vasthouden (dat is wel een garantie voor verdwalen) of van tevoren de route beter bestuderen. Nu liep ik gewoon maar mee het tempo te drukken. Dat ging me behoorlijk goed af. We gingen wel telkens ietsje sneller de eerste 4 kilometer. Het tempo lag zelfs in de hoge zes minuten. Ambitieus voor een lage hartslag. Lekker langs een kanaal, onder de A6 door. Over een fietspad.
Toen kwamen we op de mooie witte brug! Heerlijk!Inclusief afsnijtrapje. Ik had het helemaal naar mijn zin. De zon kwam er een beetje door, het sukkeldrafje begon zowaar te wennen en ik genoot van de nieuwe omgeving. Het was gezellig, want met dit tempo is er alle mogelijkheid om veel te kletsen. Tussen de Vaart en de Lelystadse villa’s door.

En daar was het volgende Beest: een prachtige ooievaar op zijn nest! Statig zat hij daar en liep een beetje rond te pikken. Heel mooi tegen de lucht.
Volgende Brug. Een schattig ophaalbruggetje. Met daarachter een berg die er om vroeg om beklommen te worden, ook al is het dan niet in zone 1…. dan moet je wandelen en daarvoor ben ik hier niet.
Na de beesten en de bruggen volgt nu het Bos. Het Gelderse Hout is een prachtig bos. Groen. Eerst een stukje met rechte bomenrijen, later rommeliger. Echt, het was er prachtig! Heerlijk koel. en zo stralend groen. We kwamen wel een hond tegen waar ik me rot van schrok en mijn loopmaatje volgens mij ook. Verderop dachten we vechtende honden te horen, maar toen we naderbij kwamen, waren het vogels! Die hadden een oorlogje onderling met heel veel luid gekrijs.
Toen we het bos in gingen kwam de buikkramp op die soms bij de maandelijkse ongemakken hoort. In het bos was het nog te negeren. Met goed om me heen kijken kon ik best aan mijn grote teen denken, die steeds minder pijn doet en nog slechts gevoelig is. Maar na het bos een aantal bruggen en asfalt over, trok mijn kramp meer en meer aandacht.
Ik deed wat me geleerd was, diep ademen en trok me met elke wee helemaal terug in mezelf. De hartslag hield zich niet meer aan zone 1. We spotten onderweg nog een inheems beest: een heus konijn!Ik was ziek in een kerk, op vakantie in Oostenrijk, bij de gymles, als kind in bed vaak, maar nog nooit hardlopend! Na de laatste asfaltbrug onder de A6 door, moest ik even een keer stilstaan om de kramp op te vangen, maar daarna hobbelden we weer door en kwamen we weer in het Natuurpark uit. Ik ben bij tijd en wijle afwezig in het bos, maar het is er erg mooi met het water en de ruimte. Er waren heuvels, het rook er naar groen, er waren prachtige lanen en het was halfverhard.
We gingen een aantal schitterend oranje bruggen over, het was echt een heerlijk stadspark. Mijn buik deed best zeer en de helft van mijn blaar begon ook op te spelen. In de verte waren przewalskipaarden.
En toen waren we rond. Na 15 kilometer in 1 uur en vijftig minuten. Mijn gemiddelde hartslag was met 138 wat hoog, maar dat zat voornamelijk in de laatste 6 kilometer. De eerste 8 kilometer hadden een gemiddelde hartslag van 134, inclusief bruggen en heuvel. Eenmaal thuis en gedoucht hield de buikkramp zich koest en onbeantwoord en kwam de pijn voornamelijk uit het laatste restje bloedblaar. ‘s Middags nam ik het besluit om inderdaad de drie voorgeschreven dagen rust in ere te houden, maar ik beloof niet dat dat ook drie volle dagen stand kan houden.
Rondje Rust Week
Zone 1 – zone 2. Het eerste half uur afwisselen, het tweede half uur lekker zone 2. Lekker kalmpjes aan.
Kilometer 1: Het horloge blíjft piepen en piepen dat mijn hartslag te hoog is en dat is niet waar. Mijn tempo is zo laag en mijn hartslag blijft ook hoog als ik wan-del. Stom ding. Stomme kilometer. Mijn Fitbit geeft wel een hartslag van 125 aan en dat is beter dan de 175 van de Garmin. Stom-stom-stom.
Kilometer 2: de hartslagmeter van de Garmin en de Fitbit zijn het eindelijk eens, nu komt het goed. Langzaam maar goed. Ik kom tegen: circa 8 bootcampers aan het hardlopen, ongeveer 100 gansjes op het pad, 2 wandelaars in hardloopkleding, een fietsend gezin en een man met fiets en verrekijker.
Kilometer 3: De rust is terug. Er zit een tempo in in zone 2 wat me goed past en dan moet ik nog een keer terug naar zone 1. Waar ik kom door eerst te stoppen voor foto’s, goede oplossing.
Kilometer 4: Ik krijg het heet. Zweet loopt mijn ogen in. De regenjas te warm? Een hoop gakkende ganzen zeg, alsof ik naar de overkant zwem…
Kilometer 5: Vanaf nu mag ik zone 2 aanhouden. Prettige zaak. Ik zoek het onverharde pad op. Lees je mee trainer: ik zoek het onverharde pad op! Het brede pad heen, ‘mijn’ pad terug. Saai breed pad eigenlijk zeg.
Zie ik daar nou donkere wolken op komen zetten?! De luchtdruk daalt, de vogels gaan nog harder fluiten, de wind trekt wat aan… De regenjas rits ik weer dicht, want het antwoord is ja en de wolken laten wat van hun ballast naar beneden vallen. Verkoelend het zweet wegwerken.
Kilometer 6: Leuker dan ik had gedacht, dit brede pad; helemaal niet zo saai. Het is weer eens iets anders. Stapels hout! Die ruiken lekker. Tegenliggers met hond die rennen: het is precies Zelia met hond en vriend! Het horloge piept me terug als ik te snel het bos in wil: het bos ziet er te uitnodigend uit.
Kilometer 6.5: Een klein pad. Een klein, smal, modderig, onbekend pad. Ik moet er wel in, het nodigt me uit. Het is er prach-tig. ge-wel-dig. Fan-tas-tisch. Wat een mooi stukje bos hier!
Kilometer 7: Langs een stukje van de Hogering. Zie ik de schoonmaakvoertuigen weer met hun herrie. De ATBroute leidt me heuvels over. Waarom ook niet?! Naast de geurende liguster, het ruikt er voortreffelijk. Ik vermaak me.
Kilometer 8: Nog een klein stukje ‘mijn’ pad en dan de brug over naar huis. Hoe langzaam kan je gaan zeg?! Dat ik nergens last van heb is bij dit tempo te verwachten.
Kilometer 9: één auto laat me voor: er zit een man in in trainingskleding – die snapt dit. Asfalt. Saai. Dit is écht saai. Mijn zin raakt verstopt. Waarom wilde ik vroeger alleen asfalt? 9 Kilometer in een dik uur. Het is qua tempo echt goed aangepast aan de rust week.
Weer- en renbericht voor maandag 18 mei
De avond begint met regenspatjes, maar om 8 uur is dat voorbij en kan iedereen die dat wil (9 stuks) mee met de trainer en zijn ABgroep. Ook voor degene die dat niet wil, maar op wiens schema staat dat er ‘pittig meegetraind’ dient te worden, zijn de weersomstandigheden zeer geschikt.
Het waait tussen 8 en 9 uur flink met een wind uit het noordwesten, die van tijd tot tijd aantrekt. Tijdens het inlopen valt dat niet zo op, maar daarna zal de wind duidelijk voelbaar zijn. Bij het aftellen van 6 lantaarnpalen op kalm tempo heen en dan op hoog tempo terug naar de trainer, zal de wind meewerken om het hoge tempo vast te houden en goed op te warmen.
De wind blaast alle donkere wolken over terwijl er in intervallen de brug op gelopen worden. Rustig naar de Vaart toe met een beetje tegenwind, maar als je omdraait en de brug op stijgt heb je eerst een stuk wind mee. Hou het tempo ook vol als je weer de brug opdraait ná de haarspeldbocht en de wind vol tegen krijgt. Omlaag mag je uitrusten en de wind mee laten werken aan het verlagen van de hartslag. Om even van de voorbijrazende wolken te genieten en de hartslag helemaal tot rust te laten komen terug tot zone 1, neem je 30 seconden pauze in de luwte van de flatgebouwen. Om van de wisselende schouwspellen van het licht te genieten, doen we dit vijf keer. Bij de derde en vierde keer haalt de hartslag boven op de brug zelfs zone 5 (hs 174+), dus dat hart werkt ook hard mee om hard tegen de harde wind in te lopen.
Als de zon achter de wolken verdwijnt en de prachtigste kleuren een nog diepere saturatie geeft, volgt voor de vier dames van het ABteam een opdracht waarbij veel op duurtempo wordt gelopen. Het eerste stukje stijgen vraagt een hoge hartslag en een hoog tempo vanuit de ruststand, vervolgens dalend tegen de wind in op langzaam tempo. Daarna is het even je ogen van de wolken afhalen en op de trap richten die zo snel mogelijk beklommen zal moeten worden. De rest van de tijd is het dalen van de brug af en met de wind mee op langzaam tempo en omkeren tot de trap, waar de wind weer even fel tegen waait. Na de tweede keer trap en uitlopen moet onderaan 30 seconden rust in acht worden genomen.
Dit tempo verveelt me na de eerste keer en ik besluit dat ook het stuk naar de trap toe, tegen de wind in door mij op hoog tempo wordt gelopen. En de trap vormt het toetje! De hartslag werkt zich net zo snel omhoog als de trap. We doen het nog een keer in zijn geheel en ik raak behoorlijk out-of-sync van de andere dames door mijn zelf-verkozen tempo-wisselingen.Ik bewonder tijdens de rustige tempo’s het prachtige schouwspel in de lucht. De wolken, de zon, de felle kleur van de groene bomen: het is allemaal magnifiek om te zien. Het leidt me af en ik loop uitstekend: geen last van een pijntje waar dan ook (al schuift de blaarpleister wat hinderlijk), ik heb tijd over om in de snelle fases goed te letten op mijn pas (kort, knieën hoog, fel de trap op). Ik heb wat moeite mijn bovenarmen te ontspannen, maar tijd genoeg om zelfs dáár over na te denken en het bij te sturen.
Er volgt nog een afsluitend sprintje waarbij ik dik 14 kilometer per uur haal omdat ik persé de dames die voor mij gekeerd zijn in wil halen. Ik ben moe, maar buitengewoon voldaan. Ik maak foto’s van de prachtige luchten, maar het is onmogelijk om de grootsheid ervan vast te leggen.Er volgen heel veel rek- en strekoefeningen. De nieuwe, mooi met dolfijnen gedecoreerde bekers met water zijn het enige water wat je op deze zomeravond zult zien. De zon gaat langzaam onder, maar dit zal pas gebeuren na de training. Het is een graad of 12, maar de lange broek voldoet bij de ondergaande zon en de stevige wind prima.
Intervallen langs de Oostvaardersplassen
Na al het slome gehobbel van de afgelopen week, waarin de tijden niet boven de 6 minuten per kilometer (10 km/h) uitkwamen, werd het tijd voor een inspannender traininkje. Ik had het tot de avond uitgeschoven en wilde vlak voor zonsondergang langs de Oostvaardersplassen gaan lopen, nu het weer kan.
Half 9 liep ik door het park. Een uur nog tot de zon ondergaat en de oefening die ik heb opgekregen duurt 3 kwartier, dus dat moet lukken. Eerst 10 minuten in zone 1. Die kan ik gemakkelijk aan tegenwoordig, dat gejog is me te vertrouwd geworden. Ik hobbel de wijk door en besluit eerst buitenom langs de kassen te lopen. Na tien minuten sta ik onder aan het viaduct. Nu ga ik vijf intervallen doen: eerst 2 minuten in zone 1 (hartslag tussen de 116 en 135 slagen per minuut), dan 1 minuut in zone 2 (met een hartslag tussen 135 en 154 slagen per minuut) en tot slot 2 minuten uitleven in zone 4 (met een hartslag tussen de 164 en 173 slagen per minuut).
Omhoog op een viaduct in zone 1 gaat heeeeel langzaam. Ik neem me voor om elke keer in zone 1 een foto te maken. Boven op het viaduct gaat zone 2 in en dat is lekker comfortabel. En te snel voorbij. Zone 4 viaduct-af is een hele opgave. Mijn benen halen me bijna in! Maar de hartslag blijft achter. Als ik beneden ben, gaan mijn benen door en word ik moe-er, maar de hartslag blijft achter en ik haal de hartslag 164 van zone 4 niet.
Zone 1 voor de tweede keer. Ik heb ruim anderhalve minuut nodig om terug in zone 1 te komen. Foto! Zone 2 is echt relaxed, maar dan komt zone 4 weer. Ik ren me echt de benen onder me vandaan, maar mijn horloge blijft piepen dat mijn hartslag te laag is. Ik raak buiten adem en ik raak ook een beetje gefrustreerd van die hartslag.
Zone 1 weer. Ik stop bijna meteen en weer heb ik anderhalve minuut nodig om mijn hartslag te laten dalen. Door al dat asfalt ga ik mijn teen voelen. Hinderlijk. Als ik het nu stuk loop, ben ik verder van huis, zo vlak voor… voor wat eigenlijk? Ik heb nu een dokter bij de hand die ik versta voor noodgevallen. Zone 2: lekker om de weg over te steken. En dan zone 4. Ik ga zo hard als ik kan en dat is circa 12,5 kilometer per uur, maar het is niet genoeg voor mijn hartslag. Ik besluit niet op te geven en mijn teen te negeren met zijn bloedblaar: ik doe er nog een schepje bovenop en de laatste tien seconden komt mijn hartslag aan 164. Net aan.
Zone 1. Ik kom nu in de buurt van mijn geliefde fietspad door de oostvaardersplassen en mijn teen vraagt erg veel aandacht. Die krijgt hij overigens in de praktijk niet, maar in gedachten helaas wel. De zon zakt achter de kassen. We moeten hier in Holland de zonsondergang gaan bekijken! Maar nu niet: zone 2 brengt me de parkeerplaats over en dan sta ik op mijn lievelingsfietspad wat voor mijn gevoel maandenlang afgesloten is geweest. In zone 4 is het wildrooster langzaam overgaan voor mijn teen een te grote opgave, dus ik weet dat ik deze keer zone 4 niet haal. Ik kan de mensen niet groeten die ik op de fiets tegenkom, want ik heb er geen lucht voor en ik zweet me kapot. Ook al stijg ik, zone 4 is in deze twee minuten weer niet haalbaar. Aan het tempo van 4:57 (ruim 12 km/h) ligt het niet, de hartslag stijgt gewoon niet boven de 160 uit.
In zone 1 draai ik het lange fietspad op langs de Oostvaardersplassen. Het is geweldig mooi. De lage zon geeft alles een oranje gloed. Ik ben al vergeten hoe vaak ik versneld heb. Voor mijn gevoel is dit de op één na laatste keer. Binnen 70 seconden zit ik in zone 1, dat is wel oké: mijn conditie is niet verkeerd dat ik dat steeds sneller haal. Zone 2 is zalig en het hele fietspad is een feest van herkenning. Het zweet druppelt over mijn gezicht en ik ga nog een keer proberen om zone 4 te bereiken. Ik doe een serieuze poging, maar ondanks dat ik nu moe ben en loop te hijgen, komt de hartslag nog steeds niet boven de 163 uit. Het daagt me waarom hier lopen rond zonsondergang een slecht idee is: vliegjes-vliegjes-vliegjes. Niet met open mond lopen! Dat gedeelte had ik alweer geskipt sinds vorige zomer. DomDomDom.
Zone 1. Ik ben in een minuut terug in zone 1. Ik kijk goed om me heen en het is hier prachtig. Ik zwaai echter ook met mijn armen tegen de zwermen muggen die me belagen. Ik neem me voor dadelijk koste wat kost zone 4 te halen en ik vraag me af wat me nu nekt dat dat niet lukt: is het de vakantiestand van mijn lichaam? Hart in pauzestand? Paar kilo’s all-inclusive? Of ben ik nog moe van gisteren? En hoe ‘slecht’ is het dat ik zone 4 niet haal? Word ik van al het gehobbel werkelijk zoveel langzamer?! Het liefst had ik een boze SMS naar de trainer gestuurd voor opheldering. Terwijl ik me dat zo af loop te vragen is er al ruim 2 minuten voorbij. Ik zit in het uitlopen! Van de tien minuten zone 1 zijn er al drie om. Ik voel overal mugjes. En ik voel mijn bloedblaar op mijn teen: het lijkt alsof die zich opnieuw vult. Zal ik door het bos gaan? Nee, ik moet en zal dit fietspad volgen nu het weer kan.
Er zitten drie kwartier op en ik heb nog geen 7 kilometer gehaald. Ik ga mank lopen om de teen te ontzien, dat is lastig, maar ik kan niet anders. Ik haal twee meiden in en dan gaat de zon onder. En daarmee gaan ook alle vliegjes onder ofzo, want ze zijn plotsklaps weg. Uitzichtspunt, het hek door en dan ga ik toch het bos in in plaats van het asfaltpad te volgen de brug op. In het halfverharde bos durf ik mijn teen iets meer neer te zetten. Ik ga nog langzamer en ik dacht nog: zal ik maar gaan wandelen, maar dat vertik ik toch! Ik ga langzamer en langzamer. Ik kies de onverharde paden terug naar huis. Over 9 kilometer doe ik dik een uur.
Ik ben het wat zat: ik zou graag weer hard willen rennen. Maar nu heb ik een trainer die me een rustweek voorschrijft; als ik alleen was, had ik dat nóóit gedaan. Ik heb de afgelopen week al genoeg gerust! Langs het zwembad. Training overgeslagen. (hoewel niet in tijdsduur) Maar ja…. Nu ben ik vrij van blessures, op een lastige blaar na. De blaar is overigens niet gegroeid, opnieuw gevuld of stuk gegaan, ook al voelde dat zo. Ik had mezelf willen testen en een tempoloop van jewelste gedaan als ik geen trainer had gehad om me nu in te tomen en dan had ik méér willen rennen en harder ook. Zit ik opgescheept met een rustweek zeg. Nu moet ik het uitzingen tot de volgende wedstrijd om me te bewijzen en me troosten met het idee dat ik de afgelopen week heel goed getraind heb om met hitte om te gaan. Er volgt nu een periode van veel nuchter rennen vrees ik om een paar kilo minder te sjouwen als ik me wél weer mag bewijzen.
Uitputtingsslag door de Harderwijkse Bossen
Ik zag er een beetje tegenop om 2 en een half uur te gaan hardlopen op deze vrije dag. En ook nog onverhard. En met een soort ingedroogde bloedblaar. Met een paar kilo toetjes meer. Vermoeid van de reis. Maar goed, de Veluwe bij een fijn temperatuurtje lokken ook. Dus toen ik eindelijk uitgeslapen was, reed ik mijn loopmaatje naar Harderwijk. Ik heb de auto, hij de route.
Om half 10 gingen we op weg over de zandpaden. Met een beetje water, korte broek aan, jasje met lange mouwen erover en zicht op een endurance race. Ik wist wel dat het zwaar zou worden en dat ik niet snel zou gaan door het bos. Daar ging ik ook niet voor, maar dan is twee en een half uur nog altijd een hele tijd. Het was licht bewolkt en heerlijk. Ik keek niet naar de kilometertijden. Mijn loopmaatje had de GPS vast en hij kon de route nog goed volgen ook! Hij had me al voorbereid op een stuk stuifzand.
Het bos was fijn. Ik vind het off-road lopen echt erg prettig. Ik was niet erg spraakzaam. Was in mijn hoofd nog veel bezig met de vakantie, met alles wat in Portugal had gezien en meegemaakt. Ik kon het ook nog niet echt vertellen. “Hoe was Portugal?” vroeg mijn loopmaatje. “Leuk” antwoordde ik, “en hoe was jouw week?” Zo voelde het wel ongeveer. Ik had weinig zicht op de route, weinig interesse ook. Ik was gewoon nog wat moe en sloompjes aan alle kanten. Na drie kilometer vertelde mijn loopmaatje dat het ook wat heuvelig zou worden. Ik dacht even: ik ga terug! Maar gelukkig was ik ook te sloom en verdwaald om daar toe over te gaan.
We kwamen op het zand. Mul zand. Veel mul zand. Zwaar zand. Zwaar te belopen mul zand. Niet zo hard als op het strand langs het water, maar droog zand waar je diep in wegzakt. Naar die boom, wees de GPS. Ik moet zeggen: ik genoot ervan. Gelukkig hoeft dit geen twee uur, maar het is absoluut onverhard! Zand in je schoenen. GPS naar de volgende boom. Gelukkig geen felle zon. Wel een hoge hartslag.
We gingen dwars door het zand heen, hadden lak aan het pad. Niet dat het pad beter was, integendeel! Na twee kilometer was ik blij dat we het bos weer in gingen, al bleef het zand nog gewoon de paden vormen. Minder mul gelukkig!
Toen we even verderop moesten wachten op een groep mountainbikers namen we de mogelijkheid te baat om de schoenen leeg te gooien. Omdat ik me niet bezig hield met kilometertijden of de route, had en heb ik geen idee meer wat waar plaatsvond en hoe lang of hoe ver we gingen, waren gegaan of nog moesten. Ik was tamelijk basaal bezig met hardlopen, door het bos kijken en het pad in de gaten houden. Dat werkte al met al best bevrijdend. Niet inspirerend, maar op de één of andere manier geeft het ruimte in je hoofd.
Helaas vulde ik die ruimte op met sjacherein. Waarom doe ik dit toch? werd een hoofdvraag. Ik kan hier gewoon gaan zitten. Stil blijven staan als een ezeltje. Ik heb geen zin meer. Het is stom om hier te lopen. Dat maalde door mijn hoofd. Ik werd er stil van. Had niks meer te zeggen. Ik vond het wel sneu voor het loopmaatje, maar gelukkig vond ik het nog vervelender voor hem als ik me als een ezel zou gaan gedragen. Dus ik stapte door. En door. En door… En door…… En langzaam sleet het sjacherein weg. Vroeg ik mijn loopmaatje naar zijn hardloopplannen en waarom zijn moeder toch vanuit Portugal naar Nederland is gekomen. Hoefde ik alleen maar te luisteren en mijn gedachten daar op te richten. Hij had lekkere gedroogde vruchtjes bij zich. Die hielpen me ook de moed weer op te pakken. En het water.
Kilometer na kilometer renden we door het bos. Over zachte paden. Over boomwortels. Langs hele groene bossen. Met groene ondergrond. Tussen de dennenappels door. Langs de prachtige Leuvenemse Beek.
Er zaten twee wandelaars te lunchen en even drong de gedachte ‘waarom ik, hier‘ zich weer op. De omgeving ving het deze keer op. Het was prachtig mooi! Glooiend, lichtgroen, lieflijk.
Ik wilde zo graag een halve marathon lopen dat het een beetje ongezond was. Het was een doel op zich. Na een kilometertje of elf ging het mis: mijn teen schraapte over een wortel en begon gemeen pijn te doen. Moeilijk te negeren. Voor een korte stop om te kijken hoe de route liep die afgesloten was voor wild, had ik mijn horloge uitgezet. Ik kwam er na een kilometer achter. Die had ik gemist. Verdikkeme. We kwamen op een verharde weg, wat tijdelijk wel lekker was. Maar toen een klein onverhard pad zich slingerend aandiende, bleek die harder te roepen.
En we waren weer de enige. Wat was het mooi! We waren van de vooraf geplande route af. Hier waren bruggetjes, groen all-over en rust rust rust. Mijn hartslag was weer gedaald tot net in zone 2, maar ook daar maakte ik me niet druk over. Dat er heuvels waren was ook geen probleem. De teen was wel een voortdurende bron van aandacht. Negatieve aandacht.
We kwamen op een ontzettend druk punt. Een soort attractie van een zandmolen (?) waar tientallen andere fietsers waren en wandelaars. Wij lieten ze allemaal achter en liepen langs de Leuvenemse Beek. Overweldigend natuurschoon. Mijn loopmaatje meldde dat we weer op de route zaten, maar dat ik hem vast niet dankbaar zou zijn voor alle ommetjes die we maakten. Fout! Die ommetjes waren de moeite waard en gelukkig zit het beslissingsrecht in mijn hoofd en niet in mijn teen. Anders was ik woedend geweest! Het ging niet goed, de blaar zette duidelijk uit.
Na dik twee uur gingen we ‘gewoon’ het zandpad weer op door het bos en er zaten pas een kilometer of 17/18 op. Ik mocht gaan wandelen van mijn loopmaatje en dat was best verleidelijk. Maar dan zou de pijn langer duren en de hele route ook en ik wilde toch écht die halve marathon gewoon rennend volbrengen.
Er gebeurde iets raars: ik werd moe. Niet gewoon vermoeid en hongerig of slapjes, maar dood- en doodmoe. Alsof er al 35 kilometer marathon op zat. In- en in-moe. Van die moeheid die in je hele lijf zit. Vruchtjes, water: ik hoefde het niet meer. Ik was min of meer verdoofd. Blijf rennen. Dat was het enige wat telde. Maar ik kon niet meer hard. Mijn benen, mijn hele lijf wilde niet harder dan een suf jogtempo. Ik wilde best harder, maar het lúkte gewoon niet. We zagen de schaapskudde.
Heuvels op ging prima, maar heuvel af legde veel wrijving op mijn geplaagde teen. De vermoeidheid haalde overal de scherpe randjes af. Ik realiseerde het me, dat maakte het raar. Ik wíst best dat ik het laatste vruchtje moest eten of iets moest drinken, maar ik zei telkens suffig nee.
We kwamen over de Cyriasische vlakte. In mijn hoofd draaide het in een kringetje rond: is het Kyria of Syria? Het kringetje ging steeds langzamer rond. Het werd echt een uithoudingsslag. Endurance. Maar op dat woord kon ik allang niet meer komen!
Na 21 kilometer op mijn horloge in 2 uur en 40 minuten had ik alle kansen om gewoon te gaan wandelen tot de auto. De afstand zat erop (hoe langzaam ook), de tijd zat erop en ik zat op de grens van een soort uitputting. Maar ik ging door. Hoe ver nog? 2 Kilometer of drie, mijn loopmaatje hield het wel bij, maar ik kon er niet meer over nadenken. Ik kon ook geen sluitend verhaal meer vertellen. Ik rende, nou ja, joggde, door en door en door. Er waren heel veel fietsers op het fietspad. Ik kon niet meer beslissen welke kant we op moesten, maar nu liet ik het echt aan mijn loopmaatje over. Ik voelde me echt wazig, aangenaam verdoofd. Wat een wonderlijke oefening werd het zo. Lopen op uitputting. 22 Kilometer, 23 kilometer. Ik wist nog hoe ver het was, maar ik voelde het niet. Ik voelde eigenlijk niks meer. Maar niet wandelen hoor!
Na voor mij 23 en in totaal 24 kilometer, waren we weer bij de auto. 3 Uur hadden we erover gedaan. Ik kon alleen nog maar zitten. Trui erover aan. Ik liet mijn schoenen aan. Drie uur! Het drong nog niet helemaal door in mijn versufte hoofd. Ik ging rijden terwijl mijn loopmaatje de route uploadde. Toen ik bij het groene stoplicht wachtte, was me duidelijk dat ik even goed op moest gaan letten! Na een kwartiertje en een ontbijtkoekje kreeg ik weer praatjes. Ik kon de telefonische verkoper niet volgen en tegelijkertijd goed autorijden, dus ik koos voor het laatste en brak het gesprek af. Thuis was eten prioriteit 1 en daarna sokken afpellen. Het was goed gegaan met mijn blaar. Eenmaal bevrijd was er niks meer aan de hand. Ik bleef de hele dag vermoeid.
Portugal 3: Hardlopen over het strand
Ik lag om 7 uur al even wakker door de vogels. Dus ik stond dan maar op en om half 8 stond ik buiten. Oningesmeerd, met hardloopschoenen en compressiekousen aan. De bloedblaar is aardig ingedroogd, dus ik zie wel. Trapjes af en ik ben niet eens de enige op dit tijdstip. Ik wil een klein zijpad in, maar na tiental meters blikt het echt een rivierbedding te zijn.
Goh, zou het hier zoveel regenen? Dan toch maar weer het strand op, ook al kan ik nog steeds niet naar rechts. Het is heiig op het strand. En warm. Nu al. De zon is nog niet over de rotsen en het is al benauwd. 1 Kilometer. Ik kijk niet naar de tijd.
Ik neem het harde zand en er is vanmorgen al een auto over het strand gereden. Zolang ik die sporen kan zien, wordt het nog niet vloed. Op het strand is het zo goed als verlaten.Langs de rots in zee, die nu minder in zee staat als toen we hier 12 uur geleden waren. Ik voel me een jogger. Een blije jogger. Kilometer 2 laat 6:48 zien. Redelijk. Ik maak eens een fototje en zie andere hardlopers. Ze komen me tegemoet, dus ik kan ze niet inhalen.
Alles houdt zich heel goed, ook al loop ik over een scheef strand en door het zand. Het tempo is heerlijk aangepast, mijn knieen doen geen pijn, mijn teen geeft geen last. Ik loop gewoon een heppie renner te wezen.
Vraag is hoe ver ik ga: ik zie in de verte wel de dam en de vuurtoren, maar zo ver wil ik niet. Er zijn veel vissersbootjes op zee. Omdat ik niet zo dicht op de kustlijn loop, hoeft ik minder goed op de golven te letten. Kilometer 3 in 6:38. Ha! Plan geboren: ik ga de volgende kilometer nog iets harder! Geen foto’s maken, en het tempo opvoeren. Dat lukt me ook. Ik krijg het nu wel echt warm en er lopen zweetdruppels over mijn gezicht. Zand zoeken, om de visser hen cirkelen, de hond in de smiezen houden en doorstappen. Kilometer 4 gaat in 6:06 en ik ben er blij mee. Meteen gaat het tempo er weer uit. Ik kom bij een volgende reddingsboei en dat is mijn keerpunt en mijn fotopunt.

De zon komt over de rotsen. Ik zie mijn schaduw nu voor me uit lopen. Een hele lange schaduw. Ik loop nu andersom scheef en het wordt duidelijk waar ik de bloedblaar heb gehaald: bij het teruglopen. Ik voel nu weer druk op mijn teen ontstaan. Kilometer 5 gaat langzaam. Ik bedenk nog eens 4 kilometer elke kilometer harder te gaan lopen. Dat betekent dat kilometer 6 jogtempo moet hebben. Tijd genoeg om me zorgen te gaan maken: ten eerste over mijn teen: stel dat ik de blaar kapot loop en mijn goede sokken en schoenen verpest. Zorgen over de zon die mij nu toch echt aan het verbranden is. Weer langs de visser, de hondjes en er lopen nu steeds meer andere mensen. Ik jog iets minder lekker door de zorg om mijn teen.
Kilometer 6 laat inderdaad een hoge 6 minuten zien. Ik ga iets sneller, als ik dan de zon uit wil en mijn teen toch stuk moet lopen, laat ik er dan maar snel vanaf zijn. Daarop volgen de zorgen dat ik er met mijn compressiesokken boven mijn korte broek belachelijk uitzie. Ik zie allemaal andere hardlopers met coole kleding aan. Stel dat iemand mij hier herkent! Die gedachte is zo belachelijk, want als iemand hier ‘hup Anke’ roept, dan ben ik alleen maar trots dat ik hier degene ben die over het Portugese strand draaft. 😀
Ik neem een fijn tempo aan en maak me maar geen zorgen meer en zet de trots dat ik hier voor de derde keer de hoge temperatuur trotseer voorop.
Kilometer 7 gaat snel in 6:10 en ik denk dat kilometer 8 toch nog iets harder zal moeten. Hoe?! Ik zie in de verte het eindpunt bij de strandhuisjes. Dan wil ik daar het pad nog af. Ik had gehoopt dat op snelheid te kunnen doen omdat het min of meer verhard is. Ik ban alles uit en ga hardlopen. Eindelijk zeg. Door het harde zand. Ik laat de andere coole pakjes maar voor wat ze zijn, zet mijn teen gewoon neer (als de blaar stuk is, gaan de sokken niet meer mee naar huis of het droogt hier snel bedenk ik) en kijk naar de rotsen in de verte. Geen foto van de rots die nog maar half in het water ligt, ik ren door. Kilometer 8 in 5:59. Oke!
Ik kom op het mulle zand en onmiddelijk is het tempo er uit. Ik voel aan mijn teen, maar uitsluitsel krijg ik niet of het stuk is of meer pijn doet. Het geluid van de golven maakt plaats voor vogels. Ik wandel soms een stukje voor mijn teen, maar dat schiet niet op. Ik ga nog antiliaans aan het joggen en dan merk ik dat het halfverharde, ongelijke pad omhoog loopt. Mooi dat ik hier niet harder hoeft! Ik zie een mooie blauwe vogel en net als ik een vette boer laat komen er andere mensen de bocht om. Oeps.
Er is een volkomen onnodige tunnel en ook daar komt ik strandgangers tegen. Dan sta ik na 9 kilometer bij het hek van het hotel. Een afgesloten hek.
Ik SMS Rob dat ik er aan kom, maar ik moet nog een stukje verder om over de stoffige halfverharde weg. Ik neem geen shortcuts, ik ren tot het dorpje. Ik word bijna ingehaald, maar kan net op tijd naar het hotel toe de weg op draaien. Een hardloopster komt me op hoog tempo in kekke kleertjes tegemoet: zij begint net en gaat naar beneden, waar ik nog een behoorlijk klim maak met mijn verhitte, rode hoofd.
Na 1 uur en 10 minuten zitten er 10 kilometer op. Precies voor de deur van het huisje. Ik heb het bloedheet. Op het balkon pel ik de sokken af en… mijn teen heeft het prima gehouden! Het water wat ik voelde was zweet. Ik ben (mede door de lelijke compressiekousen) niet verbrand. Na een flinke douche heb ik heerlijk veel trek in de yoghurtjes van het ontbijtbuffet.
Portugal 2: Lopen IN de vloedlijn
Portugal, 7 uur ‘s ochtends na een nacht met veel lawaai buiten. Ik ga hardlopen op deze zondagochtend. Nuchter. Drie kwartier. Om kwart over 7 verlaat ik (toch maar wel ingesmeerd) het huisje in korte broek. Het is overal heerlijk stil en rustig. Er is 1 iemand bij het zwembad, die moet het schoonmaken. Ik hoor heel veel vogels. Het waait behoorlijk. Ik ren de trappen af en luister naar de rust. Ik ga richting het strand. Daar is het helemaal stil. Op het eeuwige geluid van de golven na. Ik voel me heel rijk en kijk niet naar kilometertijden. Ik ga op blote voeten! Na 800 meter trek ik mijn schoenen uit en moet ik ze vasthouden.
Ik ren door het zand. Mijn voeten worden gemasseerd. Ik ren door het water. Mijn hele benen krijgen zilt water mee. In het schuim is het heerlijk zacht lopen. Ik zie andere hardlopers, allemaal met schoenen aan. De tweede kilometer loop ik door en er komt een tijd van net in de 7 mintuen voorbij. Ik loop in de schaduw, de zon zit nog achter de rotsen. Dat is niet erg, het is heerlijk. Ik maak foto’s.
De telefoon en twee schoenen in de hand houden, komt het tempo niet ten goede, maar ik blijf zo’n beetje hardlopen. Ik ga maar drie kilometer heen en dan weer terug. Ik ben niet hier om records te verbreken. Het zand schuurt mijn voeten. De zon piept soms tussen de rotsen door op de golven.
Het lijkt alsof ook het geluid van de rollende golven minder luid is nu ik de enige ben die er naar luistert. Ik zie een andere mevrouw rennen. Ik krijg het niet eens te heet. Ik wil tot de volgende reddingsboei gaan, maar dat is verder dan drie kilometer. Ik keer gewoon om. Dan zie ik mijn eigen schaduw in de golven! De zon komt over de rotsen heen.

Ik doe een eeuwigheid over deze hardloopsessie! Ik heb geen trek, maar ik heb wel last van mijn maag. Loop ik hier heerlijk te genieten, moet ik eigenlijk ook naar de WC ;( Ik parkeer het ver weg en ga weer genieten.

Weet je wat nog heerlijker is als het schuim aan het einde van de golven? Het zand wat daar net onder vandaan komt als de golf zich terugtrekt. Dat is zo zacht al seen babyhuidje! Ik probeer er zo vaak mogelijk te lopen, maar het is een klein momentje elke keer. Of je komt tot je enkels in het water en bent te diep of de golf raakt je net niet.
Ik merk dat mijn voeten zich wat overgemasseerd gaan voelen door het zand. In de zachtste stukjes zak je een heel klein beetje weg, dat maakt het wel zwaarder. Ik merk ook dat ik een hoop andere spieren gebruik nu in mijn enkels. 5 Kilometer – en daar heb ik iets van 40 minuten over gedaan. De zon komt meespelen, maar dat hoeft niet van mij. Ik kom aan het einde en ik heb een beetje last van mijn teen.
Over het mulle zand wandel ik het stille achterland in. Er komt mij 1 oude man langzaam tegemoet. Verder is het zinderend stil. Ik doe mijn schoenen aan. Ik kijk straks wel naar mijn linker grote teen. Ik ga de trap op en kom een Engelsman tegen die zichzelf vast een hele peer vindt dat hij zo vroeg naar de zee gaat! Ik ben er moe van, getuige het tempo waarmee ik de dik 130 treden naar boven. Bij het zwembad is het nog steeds stil, op 2 yoga’ende dames na. Ik ga over het stugge gras en wil nog even mijn schoenen uit doen, maar er zit te veel zand in. Na 50 minuten ofzo heb ik er (pas) dik 6 kilometer op zitten. In het huisje krijg ik het pas echt heet en moet ik even wachten tot de douche vrij is. Op mijn rechter grote teen zit een blaar, op mijn linkerteen zit een hele grote bloedblaar. Ik baal daarvan. Het doet pijn en nu moet ik de rest van de dag rustig aan doen. Als ik bij het ontbijt sta, voel ik me week worden. Ik weet niet of het komt omdat ik inmiddels stevige trek heb of omdat ik me afvraag hoe lang het duurt voor een bloedbaar over is en ik met deze exercitie toch niet de ACR zal verzieken. Ik kan niks doen aan een bloedblaar en vandaag kan ik lekker rustig aan doen. Na een paar bakjes yoghurt met fruit en muesli voel ik me een stuk beter. De ervaring was fantastisch, hopelijk wordt het niet door de gevolgen verpest.
Ik bespaar jullie de foto van mijn teen. ‘s Avonds doet het nog pijn en slaap ik er slecht van. De volgende ochtend is de druk er af, maar het is nog steeds een grote rode plek de de hele voor-onderkant van mijn linker grote teen bedekt. Ik ga op slippers naar buiten en blijf lekker veel op de strandstoelen zitten de komende dagen!
Portugal 1: Lopen op de vloedlijn
Strand. We waren er vanmorgen al en ik zag wel een paar hardlopers. Omdat het de komende dagen nog warmer wordt, besloot ik vandaag te gaan. De teinduizend stappen zitten er al op voor ik begin. Mannen op het strand zitten / spelen en ik rennen: de lunch bestond uit pasta! Ik wachtte wel even tot het half 4 was. 23 Graden. Korte broek, hempje, factor 50. 135 Treetjes wandelend af en nog even Vincent insmeren en toen ging ik linksaf het strand op. Hoe ver? Een half uur heen, een half uur terug. Tot waar? Ook geen idee. Zolang ik zin heb. Hoe hard is al helemaal geen vraag. Er is maar 1 antwoord: dit wil ik!
Het ging lekker. Ik bleef op de vloedlijn, daar is het zand het stevigst. Kilometertijden? Geen idee. Ik keek naar de zee rechts van me. Het onophoudelijke geruis. Onafgebroken. Herrie. Rustgevende herrie. Ergens in kilometer twee komt het besef dat dít voor mij vakantie is: op het strand mogen hardlopen in de Algarve, nu begint de vrijheid voor mij! Zout zweet, zoute druppels van de golven en zoute tranen van geluk vermengen zich. Ik hou de golven in de gaten en hoeft alleen maar bezig te zijn met de vloedlijn. De zee is prachtig blauw, de golven hebben helderwitte koppen en de rotsen aan de andere kant zijn rood en beige, mijn hoofd wordt rood.
Andere wandelaars, de vloedlijn. Zandksatelen en de vloedlijn. Een zeilboot in de verte. Een peuter in de golven. Wandelaars. Een andere hardloper op blote voeten. En voortdurend 1 oog op de vloedlijn. Straks zijn natte schoenen niet erg, nu is het nog te vroeg. De volgende bocht om. Een foto maken en gestaag doorlopen. Langs de vloedlijn. Soms moet ik even uitwijken, lijkt een golf me te snel af te zijn, maar ik leer het razendsnel accuraat in te schatten.
Ik kijk naar een kilometertijd en verbaas me dat het onder de 7 blijft. Ik heb het warm en ben bang te verbranden. Ik kom langs lege stukken strand, langs strandtentjes met palmen en prachtige rotsformaties, maar die liggen aan de verkeerde kant om tegelijk met de vloedlijn in de gaten te houden. Ik haal een man en vrouw in: hij met lange mouwen, lange broek en volle rugzak, zij in bikini met de slippers in haar hand. Ik verbrand hier! Dat is het enige waar ik over in zit. In kilometer 4 wint de vloedlijn. Ik kijk naar de rotsen en daar krijg ik een natte rechterschoen van. En sok. Ik loop het wel droog. In de verte zie ik een vuurtorentje. Zo worden doelen geboren. Maar het is lastig afstand inschatten aan zee. Ik ga langer dan 30 minuten heen en verder dan 5 kilometer. Ineens weet ik hoe die plaats heet die daar in zijn lelijkheid met torenflats opdoemt: dat is Villamoura. Vuurtorentje, vuurtorentje op de dam; ik kom er aan!

Ik ga niet over de dam heen. Ik klim niet omhoog over de rotsblokken, ik moet terug. En ik begin wat moe te worden. Als ik me heb omgedraaid weet ik meteen waarom heen gemakkelijk ging: nu heb ik de wind tegen. Ik besef dat ik niet binnen een uur terug zal zijn, dat ik weer eens overmoedig was. Heel even raakt het geluk kwijt, maar dan bedenk ik hoe heerlijk verkoelend de wind is. Nu ga ik richting de zon.
De vloedlijn ligt links van me. Ik zie nog een paar honderd meter mijn eigen stappen staan, daarna heeft de zee ze te pakken. Ik heb geen trek, geen dorst en nergens pijn. Terwijl ik de compressiesokken niet aan heb en scheef loop. De golven rukken harder op. Kilometer 7 blijf ik rennen.
Zelfs nu komt de kilometertijd niet boven de 7 uit en blijft op 6:30 ergens hangen. Ik word nu echt steeds vermoeider: Het is moeilijker de vloedlijn en de oprukkende golven te ontwijken. Ik weet niet tot hoe ver ik moet. Ik heb niet achterom gekeken op de heenweg, omdat ik dat nu zou gaan zien, maar ‘nu’ weet ik niet tot hoe ver ik moet. De visser, dat strandtentje: wat komt er nog meer?
In kilometer 8 gaat het echt mis: ik sta tot mijn enkels in het water. De zee heeft me ingehaald. Ik vind het niet erg, maar ik besef dat ik moe ben. Niet dat ik minder geniet, maar het is wel echt zwaarder.
In Engeland waar JL liep, was het niet zo heet als hier. Maar ja, JL heeft de marathon du sable door de woestijn gerend met haar rode haren! Ik geef het even op. Ik ga gewoon wandelen; ik hoeft hier geen marathon te lopen, ik hoeft niks te bewijzen, ik mag gewoon de tijd nemen om foto’s te maken. Hoe ver nog?!
De zandstenen formaties steken prachtig af tegen de blauwe lucht. Maar goed, wandelen schiet ook niet op, dus kilometer 9 ga ik rennend afleggen, hoe-dan-ook. Niet meer zo snel: 7:12 heb ik onthouden, maar ik blijf rennen. Mijn schoenen zijn zwaar nu ze nat zijn. Is dat het einde daar? Waren er twee strandtenten? Ik loop tussen de lange-mouwen-man en de bikini-vrouw door. Zal ik dadelijk ook de zee in springen? Na tien kilometer ben ik het zat en weet ik het zeker: tot die twee tenten in de verte.
Nog even langs de rotsformatie in de zee, langs de vliegeraar. Ik laat het tempo zakken. Ik laat de vloedlijn varen, ga dwars door het water heen. Nat tot boven mijn enkels. Nog even en dan mag ik drinken. Nog even en dan zie ik de mannen weer. Heel in de verte lijk ik ze te horen, maar de zee overstemt nog steeds alles. 11 Kilometer. 75 Minuten. Ik ben moe, bezweet en trots. Ik ga tot mijn knieen met schoenen aan de zee in en drink al het water op.
Ik lijk niet verbrand, ik drink nog meer, ik kom moeiteloos even later de treetjes weer op. De zanderige natte schoenen en sokken uitdoen kost meer moeite. De douche is helemaal oké. Ik merk dat ik nu ook meer over heb voor de heren: zij gunnen mij dit anderhalve uurtje voor mezelf en daarom ga ik mee aan het zwembad zitten. Ik voel me uitgeruster en energieker na het rondje dan toen ik opstond. De vakantie is begonnen!
Met zijn tweetjes naar de supermarkt
Uitlopen. Nuchter. Met 1 glas water. “Ga je mee?” vroeg ik aan Vincent. “Jaa!” was het antwoord. Hij at een boterham en ik trok een lange broek aan. En nam een rugzakje mee. We gingen om de wijk heen. De eerste kilometer piepte mijn horloge en was mijn hartslag loeihoog: boven de 170. Dat snapt de kleine techneut-anno-2015 best: “je moet langzamer mama”. En bedankt, maar dat ging nauwelijks. “Mag ik dan even sprinten?” Natuurlijk jongen, anders krijg je het misschien wel koud….
We liepen te kletsen onderweg. De hele tijd te kwebbelen. Moppen te vertellen. Meneer net 1 stapje voor me. We liepen in een zeer gelijkmatig tempo. 6:45 per kilometer over kilometer twee en drie. We haalden de mevrouwen in. Het ging hartstikke lekker! Helaas wist de jongen de weg en werd mijn ommetje extra niet gewaardeerd. Of ie zelf de weg mocht wijzen.
Vier kilometer. Vier volledige kilometers heeft de knul achter elkaar hard gelopen. Onafgebroken. Acht jaar. Achtentwintig minuten. Knap he?! Er liep een trotse moeder de Plus Supermarkt in voor broodjes, glassex en vitamientjes. Een snel uitgerust kind er naast. Pauze van een minuut of zeven.
Met het rugzakje vol gingen we weer naar huis. Hardlopend natuurlijk. Iets minder hard als op de heenweg, maar dat zal wel aan het volle rugzakje liggen, haha. Lage hartslag. We liepen door de straten met maandnamen, op naar de tijdpoort.
Volgens Vincent van de houten naar de stenen huisjes. We moesten even langs het huis van zijn vriendinnetje… En ik wilde de twee kilometer nog graag volmaken. En het grootste deel van de drie kwartier.
43 minuten en 30 seconden en toen waren we weer thuis. 6 Kilometer! Zes hele kilometers heeft de jongen hardgelopen. Toen vond hij het de hoogste tijd om bij te komen achter een computerscherm met Minecraft. Minstens anderhalf uur lang.




