Ik zag er een beetje tegenop om 2 en een half uur te gaan hardlopen op deze vrije dag. En ook nog onverhard. En met een soort ingedroogde bloedblaar. Met een paar kilo toetjes meer. Vermoeid van de reis. Maar goed, de Veluwe bij een fijn temperatuurtje lokken ook. Dus toen ik eindelijk uitgeslapen was, reed ik mijn loopmaatje naar Harderwijk. Ik heb de auto, hij de route.
Om half 10 gingen we op weg over de zandpaden. Met een beetje water, korte broek aan, jasje met lange mouwen erover en zicht op een endurance race. Ik wist wel dat het zwaar zou worden en dat ik niet snel zou gaan door het bos. Daar ging ik ook niet voor, maar dan is twee en een half uur nog altijd een hele tijd. Het was licht bewolkt en heerlijk. Ik keek niet naar de kilometertijden. Mijn loopmaatje had de GPS vast en hij kon de route nog goed volgen ook! Hij had me al voorbereid op een stuk stuifzand.
Het bos was fijn. Ik vind het off-road lopen echt erg prettig. Ik was niet erg spraakzaam. Was in mijn hoofd nog veel bezig met de vakantie, met alles wat in Portugal had gezien en meegemaakt. Ik kon het ook nog niet echt vertellen. “Hoe was Portugal?” vroeg mijn loopmaatje. “Leuk” antwoordde ik, “en hoe was jouw week?” Zo voelde het wel ongeveer. Ik had weinig zicht op de route, weinig interesse ook. Ik was gewoon nog wat moe en sloompjes aan alle kanten. Na drie kilometer vertelde mijn loopmaatje dat het ook wat heuvelig zou worden. Ik dacht even: ik ga terug! Maar gelukkig was ik ook te sloom en verdwaald om daar toe over te gaan.
We kwamen op het zand. Mul zand. Veel mul zand. Zwaar zand. Zwaar te belopen mul zand. Niet zo hard als op het strand langs het water, maar droog zand waar je diep in wegzakt. Naar die boom, wees de GPS. Ik moet zeggen: ik genoot ervan. Gelukkig hoeft dit geen twee uur, maar het is absoluut onverhard! Zand in je schoenen. GPS naar de volgende boom. Gelukkig geen felle zon. Wel een hoge hartslag.
We gingen dwars door het zand heen, hadden lak aan het pad. Niet dat het pad beter was, integendeel! Na twee kilometer was ik blij dat we het bos weer in gingen, al bleef het zand nog gewoon de paden vormen. Minder mul gelukkig!
Toen we even verderop moesten wachten op een groep mountainbikers namen we de mogelijkheid te baat om de schoenen leeg te gooien. Omdat ik me niet bezig hield met kilometertijden of de route, had en heb ik geen idee meer wat waar plaatsvond en hoe lang of hoe ver we gingen, waren gegaan of nog moesten. Ik was tamelijk basaal bezig met hardlopen, door het bos kijken en het pad in de gaten houden. Dat werkte al met al best bevrijdend. Niet inspirerend, maar op de één of andere manier geeft het ruimte in je hoofd.
Helaas vulde ik die ruimte op met sjacherein. Waarom doe ik dit toch? werd een hoofdvraag. Ik kan hier gewoon gaan zitten. Stil blijven staan als een ezeltje. Ik heb geen zin meer. Het is stom om hier te lopen. Dat maalde door mijn hoofd. Ik werd er stil van. Had niks meer te zeggen. Ik vond het wel sneu voor het loopmaatje, maar gelukkig vond ik het nog vervelender voor hem als ik me als een ezel zou gaan gedragen. Dus ik stapte door. En door. En door… En door…… En langzaam sleet het sjacherein weg. Vroeg ik mijn loopmaatje naar zijn hardloopplannen en waarom zijn moeder toch vanuit Portugal naar Nederland is gekomen. Hoefde ik alleen maar te luisteren en mijn gedachten daar op te richten. Hij had lekkere gedroogde vruchtjes bij zich. Die hielpen me ook de moed weer op te pakken. En het water.
Kilometer na kilometer renden we door het bos. Over zachte paden. Over boomwortels. Langs hele groene bossen. Met groene ondergrond. Tussen de dennenappels door. Langs de prachtige Leuvenemse Beek.
Er zaten twee wandelaars te lunchen en even drong de gedachte ‘waarom ik, hier‘ zich weer op. De omgeving ving het deze keer op. Het was prachtig mooi! Glooiend, lichtgroen, lieflijk.
Ik wilde zo graag een halve marathon lopen dat het een beetje ongezond was. Het was een doel op zich. Na een kilometertje of elf ging het mis: mijn teen schraapte over een wortel en begon gemeen pijn te doen. Moeilijk te negeren. Voor een korte stop om te kijken hoe de route liep die afgesloten was voor wild, had ik mijn horloge uitgezet. Ik kwam er na een kilometer achter. Die had ik gemist. Verdikkeme. We kwamen op een verharde weg, wat tijdelijk wel lekker was. Maar toen een klein onverhard pad zich slingerend aandiende, bleek die harder te roepen.
En we waren weer de enige. Wat was het mooi! We waren van de vooraf geplande route af. Hier waren bruggetjes, groen all-over en rust rust rust. Mijn hartslag was weer gedaald tot net in zone 2, maar ook daar maakte ik me niet druk over. Dat er heuvels waren was ook geen probleem. De teen was wel een voortdurende bron van aandacht. Negatieve aandacht.
We kwamen op een ontzettend druk punt. Een soort attractie van een zandmolen (?) waar tientallen andere fietsers waren en wandelaars. Wij lieten ze allemaal achter en liepen langs de Leuvenemse Beek. Overweldigend natuurschoon. Mijn loopmaatje meldde dat we weer op de route zaten, maar dat ik hem vast niet dankbaar zou zijn voor alle ommetjes die we maakten. Fout! Die ommetjes waren de moeite waard en gelukkig zit het beslissingsrecht in mijn hoofd en niet in mijn teen. Anders was ik woedend geweest! Het ging niet goed, de blaar zette duidelijk uit.
Na dik twee uur gingen we ‘gewoon’ het zandpad weer op door het bos en er zaten pas een kilometer of 17/18 op. Ik mocht gaan wandelen van mijn loopmaatje en dat was best verleidelijk. Maar dan zou de pijn langer duren en de hele route ook en ik wilde toch écht die halve marathon gewoon rennend volbrengen.
Er gebeurde iets raars: ik werd moe. Niet gewoon vermoeid en hongerig of slapjes, maar dood- en doodmoe. Alsof er al 35 kilometer marathon op zat. In- en in-moe. Van die moeheid die in je hele lijf zit. Vruchtjes, water: ik hoefde het niet meer. Ik was min of meer verdoofd. Blijf rennen. Dat was het enige wat telde. Maar ik kon niet meer hard. Mijn benen, mijn hele lijf wilde niet harder dan een suf jogtempo. Ik wilde best harder, maar het lúkte gewoon niet. We zagen de schaapskudde.
Heuvels op ging prima, maar heuvel af legde veel wrijving op mijn geplaagde teen. De vermoeidheid haalde overal de scherpe randjes af. Ik realiseerde het me, dat maakte het raar. Ik wíst best dat ik het laatste vruchtje moest eten of iets moest drinken, maar ik zei telkens suffig nee.
We kwamen over de Cyriasische vlakte. In mijn hoofd draaide het in een kringetje rond: is het Kyria of Syria? Het kringetje ging steeds langzamer rond. Het werd echt een uithoudingsslag. Endurance. Maar op dat woord kon ik allang niet meer komen!
Na 21 kilometer op mijn horloge in 2 uur en 40 minuten had ik alle kansen om gewoon te gaan wandelen tot de auto. De afstand zat erop (hoe langzaam ook), de tijd zat erop en ik zat op de grens van een soort uitputting. Maar ik ging door. Hoe ver nog? 2 Kilometer of drie, mijn loopmaatje hield het wel bij, maar ik kon er niet meer over nadenken. Ik kon ook geen sluitend verhaal meer vertellen. Ik rende, nou ja, joggde, door en door en door. Er waren heel veel fietsers op het fietspad. Ik kon niet meer beslissen welke kant we op moesten, maar nu liet ik het echt aan mijn loopmaatje over. Ik voelde me echt wazig, aangenaam verdoofd. Wat een wonderlijke oefening werd het zo. Lopen op uitputting. 22 Kilometer, 23 kilometer. Ik wist nog hoe ver het was, maar ik voelde het niet. Ik voelde eigenlijk niks meer. Maar niet wandelen hoor!
Na voor mij 23 en in totaal 24 kilometer, waren we weer bij de auto. 3 Uur hadden we erover gedaan. Ik kon alleen nog maar zitten. Trui erover aan. Ik liet mijn schoenen aan. Drie uur! Het drong nog niet helemaal door in mijn versufte hoofd. Ik ging rijden terwijl mijn loopmaatje de route uploadde. Toen ik bij het groene stoplicht wachtte, was me duidelijk dat ik even goed op moest gaan letten! Na een kwartiertje en een ontbijtkoekje kreeg ik weer praatjes. Ik kon de telefonische verkoper niet volgen en tegelijkertijd goed autorijden, dus ik koos voor het laatste en brak het gesprek af. Thuis was eten prioriteit 1 en daarna sokken afpellen. Het was goed gegaan met mijn blaar. Eenmaal bevrijd was er niks meer aan de hand. Ik bleef de hele dag vermoeid.
Uitputtingsslag door de Harderwijkse Bossen
Portugal 3: Hardlopen over het strand
Ik lag om 7 uur al even wakker door de vogels. Dus ik stond dan maar op en om half 8 stond ik buiten. Oningesmeerd, met hardloopschoenen en compressiekousen aan. De bloedblaar is aardig ingedroogd, dus ik zie wel. Trapjes af en ik ben niet eens de enige op dit tijdstip. Ik wil een klein zijpad in, maar na tiental meters blikt het echt een rivierbedding te zijn.
Goh, zou het hier zoveel regenen? Dan toch maar weer het strand op, ook al kan ik nog steeds niet naar rechts. Het is heiig op het strand. En warm. Nu al. De zon is nog niet over de rotsen en het is al benauwd. 1 Kilometer. Ik kijk niet naar de tijd.
Ik neem het harde zand en er is vanmorgen al een auto over het strand gereden. Zolang ik die sporen kan zien, wordt het nog niet vloed. Op het strand is het zo goed als verlaten.Langs de rots in zee, die nu minder in zee staat als toen we hier 12 uur geleden waren. Ik voel me een jogger. Een blije jogger. Kilometer 2 laat 6:48 zien. Redelijk. Ik maak eens een fototje en zie andere hardlopers. Ze komen me tegemoet, dus ik kan ze niet inhalen.
Alles houdt zich heel goed, ook al loop ik over een scheef strand en door het zand. Het tempo is heerlijk aangepast, mijn knieen doen geen pijn, mijn teen geeft geen last. Ik loop gewoon een heppie renner te wezen.
Vraag is hoe ver ik ga: ik zie in de verte wel de dam en de vuurtoren, maar zo ver wil ik niet. Er zijn veel vissersbootjes op zee. Omdat ik niet zo dicht op de kustlijn loop, hoeft ik minder goed op de golven te letten. Kilometer 3 in 6:38. Ha! Plan geboren: ik ga de volgende kilometer nog iets harder! Geen foto’s maken, en het tempo opvoeren. Dat lukt me ook. Ik krijg het nu wel echt warm en er lopen zweetdruppels over mijn gezicht. Zand zoeken, om de visser hen cirkelen, de hond in de smiezen houden en doorstappen. Kilometer 4 gaat in 6:06 en ik ben er blij mee. Meteen gaat het tempo er weer uit. Ik kom bij een volgende reddingsboei en dat is mijn keerpunt en mijn fotopunt.

De zon komt over de rotsen. Ik zie mijn schaduw nu voor me uit lopen. Een hele lange schaduw. Ik loop nu andersom scheef en het wordt duidelijk waar ik de bloedblaar heb gehaald: bij het teruglopen. Ik voel nu weer druk op mijn teen ontstaan. Kilometer 5 gaat langzaam. Ik bedenk nog eens 4 kilometer elke kilometer harder te gaan lopen. Dat betekent dat kilometer 6 jogtempo moet hebben. Tijd genoeg om me zorgen te gaan maken: ten eerste over mijn teen: stel dat ik de blaar kapot loop en mijn goede sokken en schoenen verpest. Zorgen over de zon die mij nu toch echt aan het verbranden is. Weer langs de visser, de hondjes en er lopen nu steeds meer andere mensen. Ik jog iets minder lekker door de zorg om mijn teen.
Kilometer 6 laat inderdaad een hoge 6 minuten zien. Ik ga iets sneller, als ik dan de zon uit wil en mijn teen toch stuk moet lopen, laat ik er dan maar snel vanaf zijn. Daarop volgen de zorgen dat ik er met mijn compressiesokken boven mijn korte broek belachelijk uitzie. Ik zie allemaal andere hardlopers met coole kleding aan. Stel dat iemand mij hier herkent! Die gedachte is zo belachelijk, want als iemand hier ‘hup Anke’ roept, dan ben ik alleen maar trots dat ik hier degene ben die over het Portugese strand draaft. 😀
Ik neem een fijn tempo aan en maak me maar geen zorgen meer en zet de trots dat ik hier voor de derde keer de hoge temperatuur trotseer voorop.
Kilometer 7 gaat snel in 6:10 en ik denk dat kilometer 8 toch nog iets harder zal moeten. Hoe?! Ik zie in de verte het eindpunt bij de strandhuisjes. Dan wil ik daar het pad nog af. Ik had gehoopt dat op snelheid te kunnen doen omdat het min of meer verhard is. Ik ban alles uit en ga hardlopen. Eindelijk zeg. Door het harde zand. Ik laat de andere coole pakjes maar voor wat ze zijn, zet mijn teen gewoon neer (als de blaar stuk is, gaan de sokken niet meer mee naar huis of het droogt hier snel bedenk ik) en kijk naar de rotsen in de verte. Geen foto van de rots die nog maar half in het water ligt, ik ren door. Kilometer 8 in 5:59. Oke!
Ik kom op het mulle zand en onmiddelijk is het tempo er uit. Ik voel aan mijn teen, maar uitsluitsel krijg ik niet of het stuk is of meer pijn doet. Het geluid van de golven maakt plaats voor vogels. Ik wandel soms een stukje voor mijn teen, maar dat schiet niet op. Ik ga nog antiliaans aan het joggen en dan merk ik dat het halfverharde, ongelijke pad omhoog loopt. Mooi dat ik hier niet harder hoeft! Ik zie een mooie blauwe vogel en net als ik een vette boer laat komen er andere mensen de bocht om. Oeps.
Er is een volkomen onnodige tunnel en ook daar komt ik strandgangers tegen. Dan sta ik na 9 kilometer bij het hek van het hotel. Een afgesloten hek.
Ik SMS Rob dat ik er aan kom, maar ik moet nog een stukje verder om over de stoffige halfverharde weg. Ik neem geen shortcuts, ik ren tot het dorpje. Ik word bijna ingehaald, maar kan net op tijd naar het hotel toe de weg op draaien. Een hardloopster komt me op hoog tempo in kekke kleertjes tegemoet: zij begint net en gaat naar beneden, waar ik nog een behoorlijk klim maak met mijn verhitte, rode hoofd.
Na 1 uur en 10 minuten zitten er 10 kilometer op. Precies voor de deur van het huisje. Ik heb het bloedheet. Op het balkon pel ik de sokken af en… mijn teen heeft het prima gehouden! Het water wat ik voelde was zweet. Ik ben (mede door de lelijke compressiekousen) niet verbrand. Na een flinke douche heb ik heerlijk veel trek in de yoghurtjes van het ontbijtbuffet.
Portugal 2: Lopen IN de vloedlijn
Portugal, 7 uur ‘s ochtends na een nacht met veel lawaai buiten. Ik ga hardlopen op deze zondagochtend. Nuchter. Drie kwartier. Om kwart over 7 verlaat ik (toch maar wel ingesmeerd) het huisje in korte broek. Het is overal heerlijk stil en rustig. Er is 1 iemand bij het zwembad, die moet het schoonmaken. Ik hoor heel veel vogels. Het waait behoorlijk. Ik ren de trappen af en luister naar de rust. Ik ga richting het strand. Daar is het helemaal stil. Op het eeuwige geluid van de golven na. Ik voel me heel rijk en kijk niet naar kilometertijden. Ik ga op blote voeten! Na 800 meter trek ik mijn schoenen uit en moet ik ze vasthouden.
Ik ren door het zand. Mijn voeten worden gemasseerd. Ik ren door het water. Mijn hele benen krijgen zilt water mee. In het schuim is het heerlijk zacht lopen. Ik zie andere hardlopers, allemaal met schoenen aan. De tweede kilometer loop ik door en er komt een tijd van net in de 7 mintuen voorbij. Ik loop in de schaduw, de zon zit nog achter de rotsen. Dat is niet erg, het is heerlijk. Ik maak foto’s.
De telefoon en twee schoenen in de hand houden, komt het tempo niet ten goede, maar ik blijf zo’n beetje hardlopen. Ik ga maar drie kilometer heen en dan weer terug. Ik ben niet hier om records te verbreken. Het zand schuurt mijn voeten. De zon piept soms tussen de rotsen door op de golven.
Het lijkt alsof ook het geluid van de rollende golven minder luid is nu ik de enige ben die er naar luistert. Ik zie een andere mevrouw rennen. Ik krijg het niet eens te heet. Ik wil tot de volgende reddingsboei gaan, maar dat is verder dan drie kilometer. Ik keer gewoon om. Dan zie ik mijn eigen schaduw in de golven! De zon komt over de rotsen heen.

Ik doe een eeuwigheid over deze hardloopsessie! Ik heb geen trek, maar ik heb wel last van mijn maag. Loop ik hier heerlijk te genieten, moet ik eigenlijk ook naar de WC ;( Ik parkeer het ver weg en ga weer genieten.

Weet je wat nog heerlijker is als het schuim aan het einde van de golven? Het zand wat daar net onder vandaan komt als de golf zich terugtrekt. Dat is zo zacht al seen babyhuidje! Ik probeer er zo vaak mogelijk te lopen, maar het is een klein momentje elke keer. Of je komt tot je enkels in het water en bent te diep of de golf raakt je net niet.
Ik merk dat mijn voeten zich wat overgemasseerd gaan voelen door het zand. In de zachtste stukjes zak je een heel klein beetje weg, dat maakt het wel zwaarder. Ik merk ook dat ik een hoop andere spieren gebruik nu in mijn enkels. 5 Kilometer – en daar heb ik iets van 40 minuten over gedaan. De zon komt meespelen, maar dat hoeft niet van mij. Ik kom aan het einde en ik heb een beetje last van mijn teen.
Over het mulle zand wandel ik het stille achterland in. Er komt mij 1 oude man langzaam tegemoet. Verder is het zinderend stil. Ik doe mijn schoenen aan. Ik kijk straks wel naar mijn linker grote teen. Ik ga de trap op en kom een Engelsman tegen die zichzelf vast een hele peer vindt dat hij zo vroeg naar de zee gaat! Ik ben er moe van, getuige het tempo waarmee ik de dik 130 treden naar boven. Bij het zwembad is het nog steeds stil, op 2 yoga’ende dames na. Ik ga over het stugge gras en wil nog even mijn schoenen uit doen, maar er zit te veel zand in. Na 50 minuten ofzo heb ik er (pas) dik 6 kilometer op zitten. In het huisje krijg ik het pas echt heet en moet ik even wachten tot de douche vrij is. Op mijn rechter grote teen zit een blaar, op mijn linkerteen zit een hele grote bloedblaar. Ik baal daarvan. Het doet pijn en nu moet ik de rest van de dag rustig aan doen. Als ik bij het ontbijt sta, voel ik me week worden. Ik weet niet of het komt omdat ik inmiddels stevige trek heb of omdat ik me afvraag hoe lang het duurt voor een bloedbaar over is en ik met deze exercitie toch niet de ACR zal verzieken. Ik kan niks doen aan een bloedblaar en vandaag kan ik lekker rustig aan doen. Na een paar bakjes yoghurt met fruit en muesli voel ik me een stuk beter. De ervaring was fantastisch, hopelijk wordt het niet door de gevolgen verpest.
Ik bespaar jullie de foto van mijn teen. ‘s Avonds doet het nog pijn en slaap ik er slecht van. De volgende ochtend is de druk er af, maar het is nog steeds een grote rode plek de de hele voor-onderkant van mijn linker grote teen bedekt. Ik ga op slippers naar buiten en blijf lekker veel op de strandstoelen zitten de komende dagen!
Portugal 1: Lopen op de vloedlijn
Strand. We waren er vanmorgen al en ik zag wel een paar hardlopers. Omdat het de komende dagen nog warmer wordt, besloot ik vandaag te gaan. De teinduizend stappen zitten er al op voor ik begin. Mannen op het strand zitten / spelen en ik rennen: de lunch bestond uit pasta! Ik wachtte wel even tot het half 4 was. 23 Graden. Korte broek, hempje, factor 50. 135 Treetjes wandelend af en nog even Vincent insmeren en toen ging ik linksaf het strand op. Hoe ver? Een half uur heen, een half uur terug. Tot waar? Ook geen idee. Zolang ik zin heb. Hoe hard is al helemaal geen vraag. Er is maar 1 antwoord: dit wil ik!
Het ging lekker. Ik bleef op de vloedlijn, daar is het zand het stevigst. Kilometertijden? Geen idee. Ik keek naar de zee rechts van me. Het onophoudelijke geruis. Onafgebroken. Herrie. Rustgevende herrie. Ergens in kilometer twee komt het besef dat dít voor mij vakantie is: op het strand mogen hardlopen in de Algarve, nu begint de vrijheid voor mij! Zout zweet, zoute druppels van de golven en zoute tranen van geluk vermengen zich. Ik hou de golven in de gaten en hoeft alleen maar bezig te zijn met de vloedlijn. De zee is prachtig blauw, de golven hebben helderwitte koppen en de rotsen aan de andere kant zijn rood en beige, mijn hoofd wordt rood.
Andere wandelaars, de vloedlijn. Zandksatelen en de vloedlijn. Een zeilboot in de verte. Een peuter in de golven. Wandelaars. Een andere hardloper op blote voeten. En voortdurend 1 oog op de vloedlijn. Straks zijn natte schoenen niet erg, nu is het nog te vroeg. De volgende bocht om. Een foto maken en gestaag doorlopen. Langs de vloedlijn. Soms moet ik even uitwijken, lijkt een golf me te snel af te zijn, maar ik leer het razendsnel accuraat in te schatten.
Ik kijk naar een kilometertijd en verbaas me dat het onder de 7 blijft. Ik heb het warm en ben bang te verbranden. Ik kom langs lege stukken strand, langs strandtentjes met palmen en prachtige rotsformaties, maar die liggen aan de verkeerde kant om tegelijk met de vloedlijn in de gaten te houden. Ik haal een man en vrouw in: hij met lange mouwen, lange broek en volle rugzak, zij in bikini met de slippers in haar hand. Ik verbrand hier! Dat is het enige waar ik over in zit. In kilometer 4 wint de vloedlijn. Ik kijk naar de rotsen en daar krijg ik een natte rechterschoen van. En sok. Ik loop het wel droog. In de verte zie ik een vuurtorentje. Zo worden doelen geboren. Maar het is lastig afstand inschatten aan zee. Ik ga langer dan 30 minuten heen en verder dan 5 kilometer. Ineens weet ik hoe die plaats heet die daar in zijn lelijkheid met torenflats opdoemt: dat is Villamoura. Vuurtorentje, vuurtorentje op de dam; ik kom er aan!

Ik ga niet over de dam heen. Ik klim niet omhoog over de rotsblokken, ik moet terug. En ik begin wat moe te worden. Als ik me heb omgedraaid weet ik meteen waarom heen gemakkelijk ging: nu heb ik de wind tegen. Ik besef dat ik niet binnen een uur terug zal zijn, dat ik weer eens overmoedig was. Heel even raakt het geluk kwijt, maar dan bedenk ik hoe heerlijk verkoelend de wind is. Nu ga ik richting de zon.
De vloedlijn ligt links van me. Ik zie nog een paar honderd meter mijn eigen stappen staan, daarna heeft de zee ze te pakken. Ik heb geen trek, geen dorst en nergens pijn. Terwijl ik de compressiesokken niet aan heb en scheef loop. De golven rukken harder op. Kilometer 7 blijf ik rennen.
Zelfs nu komt de kilometertijd niet boven de 7 uit en blijft op 6:30 ergens hangen. Ik word nu echt steeds vermoeider: Het is moeilijker de vloedlijn en de oprukkende golven te ontwijken. Ik weet niet tot hoe ver ik moet. Ik heb niet achterom gekeken op de heenweg, omdat ik dat nu zou gaan zien, maar ‘nu’ weet ik niet tot hoe ver ik moet. De visser, dat strandtentje: wat komt er nog meer?
In kilometer 8 gaat het echt mis: ik sta tot mijn enkels in het water. De zee heeft me ingehaald. Ik vind het niet erg, maar ik besef dat ik moe ben. Niet dat ik minder geniet, maar het is wel echt zwaarder.
In Engeland waar JL liep, was het niet zo heet als hier. Maar ja, JL heeft de marathon du sable door de woestijn gerend met haar rode haren! Ik geef het even op. Ik ga gewoon wandelen; ik hoeft hier geen marathon te lopen, ik hoeft niks te bewijzen, ik mag gewoon de tijd nemen om foto’s te maken. Hoe ver nog?!
De zandstenen formaties steken prachtig af tegen de blauwe lucht. Maar goed, wandelen schiet ook niet op, dus kilometer 9 ga ik rennend afleggen, hoe-dan-ook. Niet meer zo snel: 7:12 heb ik onthouden, maar ik blijf rennen. Mijn schoenen zijn zwaar nu ze nat zijn. Is dat het einde daar? Waren er twee strandtenten? Ik loop tussen de lange-mouwen-man en de bikini-vrouw door. Zal ik dadelijk ook de zee in springen? Na tien kilometer ben ik het zat en weet ik het zeker: tot die twee tenten in de verte.
Nog even langs de rotsformatie in de zee, langs de vliegeraar. Ik laat het tempo zakken. Ik laat de vloedlijn varen, ga dwars door het water heen. Nat tot boven mijn enkels. Nog even en dan mag ik drinken. Nog even en dan zie ik de mannen weer. Heel in de verte lijk ik ze te horen, maar de zee overstemt nog steeds alles. 11 Kilometer. 75 Minuten. Ik ben moe, bezweet en trots. Ik ga tot mijn knieen met schoenen aan de zee in en drink al het water op.
Ik lijk niet verbrand, ik drink nog meer, ik kom moeiteloos even later de treetjes weer op. De zanderige natte schoenen en sokken uitdoen kost meer moeite. De douche is helemaal oké. Ik merk dat ik nu ook meer over heb voor de heren: zij gunnen mij dit anderhalve uurtje voor mezelf en daarom ga ik mee aan het zwembad zitten. Ik voel me uitgeruster en energieker na het rondje dan toen ik opstond. De vakantie is begonnen!
Met zijn tweetjes naar de supermarkt
Uitlopen. Nuchter. Met 1 glas water. “Ga je mee?” vroeg ik aan Vincent. “Jaa!” was het antwoord. Hij at een boterham en ik trok een lange broek aan. En nam een rugzakje mee. We gingen om de wijk heen. De eerste kilometer piepte mijn horloge en was mijn hartslag loeihoog: boven de 170. Dat snapt de kleine techneut-anno-2015 best: “je moet langzamer mama”. En bedankt, maar dat ging nauwelijks. “Mag ik dan even sprinten?” Natuurlijk jongen, anders krijg je het misschien wel koud….
We liepen te kletsen onderweg. De hele tijd te kwebbelen. Moppen te vertellen. Meneer net 1 stapje voor me. We liepen in een zeer gelijkmatig tempo. 6:45 per kilometer over kilometer twee en drie. We haalden de mevrouwen in. Het ging hartstikke lekker! Helaas wist de jongen de weg en werd mijn ommetje extra niet gewaardeerd. Of ie zelf de weg mocht wijzen.
Vier kilometer. Vier volledige kilometers heeft de knul achter elkaar hard gelopen. Onafgebroken. Acht jaar. Achtentwintig minuten. Knap he?! Er liep een trotse moeder de Plus Supermarkt in voor broodjes, glassex en vitamientjes. Een snel uitgerust kind er naast. Pauze van een minuut of zeven.
Met het rugzakje vol gingen we weer naar huis. Hardlopend natuurlijk. Iets minder hard als op de heenweg, maar dat zal wel aan het volle rugzakje liggen, haha. Lage hartslag. We liepen door de straten met maandnamen, op naar de tijdpoort.
Volgens Vincent van de houten naar de stenen huisjes. We moesten even langs het huis van zijn vriendinnetje… En ik wilde de twee kilometer nog graag volmaken. En het grootste deel van de drie kwartier.
43 minuten en 30 seconden en toen waren we weer thuis. 6 Kilometer! Zes hele kilometers heeft de jongen hardgelopen. Toen vond hij het de hoogste tijd om bij te komen achter een computerscherm met Minecraft. Minstens anderhalf uur lang.
Trail Harderbos: brandnetels, trekpontjes, onweer, groen, hitte en emotionele schoonheid.
Bevrijdingsdag. Dreigend weer. Er is onweer voorspeld. Dus ik haal de vanmiddag geplande trail van twee uur naar de ochtend. Om kwart voor tien haal ik mijn loopmaatje op. Ik heb mijn korte broek weer aan en een t-shirtje én een regenjasje. Het is warm en benauwd buiten, met felle witte wolken en helderblauwe lucht. We vertrekken vanaf de Mosselweg het Harderbos in. Twee uur onverhard. Ik dacht er niet aan om mijn hartslagbeperking aan te zetten. Ik voelde me wat onrustig: gaan we nat worden, haal ik deze route van 15 kilometer wel na de 30 kilometer van zondag, gaat het onweren, is het regenjasje niet te warm?
Al snel liepen we een stukje extra. De zon scheen en het was warm. We liepen door een groen bos en het was prachtig. We moesten de weg oversteken en dat was even verhard. Ik merkte dat ik graag weer het graspad op ging langs het water. Er stonden veel paardenbloemen. De zwaan op het water stak wit af. Het was alsof alles licht gaf vandaag, het groen was feller dan anders en de lucht nog blauwer dan normaal. Ik SMSte even naar huis terwijl mijn loopmaatje een sanitaire stop maakte en toen gingen we een fietspad op! Beton… We gingen langs de grote weg de Dwarsvaart over en toen snel het onverharde pad weer op. Dat ik mijn regenjasje ombond omdat het te warm was, leverde mijn loopmaatje een zelfvoldane grijns op en ik geloof dat hij zijn ‘ik-zei-het-toch’ maar nauwelijks binnen kon houden.
Eerlijk gezegd was ik blij dat ik de route van de GPS aan mijn loopmaatje kon overlaten. Als het soms even mis ging, vond ik dat niet erg. In mijn eentje had ik het niet gevonden vrees ik. We kwebbelden onderweg wat, maar het onderwerp zou ik niet meer kunnen noemen. Mijn loopmaatje leest nu het boek van Jolanda Linschooten, dus de 15 kilometertjes platte polder die wij op ‘n ochtend afleggen vallen bij haar prestaties wel in het niet. Daar hadden we het vaak over, en over de vakantie die er aan komt. En over de route. Het was mijn beurt voor een stopje in het bos. We kwamen in het Hans en Grietje Bos. Daar waren we bij de fluisterschalen. We liepen over een prachtig vlonder. En alsmaar de heerlijke temperatuur en de zon tussen de bomen door. Ik zag een kleuterheksen-oefenpaadje waar ik overheen moest slingeren. Het waren allemaal kleine pareltjes.
We kwamen bij een prachtig ven uit. Het leek wel een schilderij. De zon kleurde alles in, maar het was geen overvloeiende waterverf. Het was groen en geel en wit. We stonden stil. Beetje raar, maar op zo’n plek moet je gewoon even extra goed kijken zonder er voorbij te rennen. Het loopmaatje had een probleem met de fotofunctie van zijn telefoon. Toen we verder gingen werd het wat modderiger. Ik kan me niet alle stukken van de route voor de geest halen. Nog een leuk bruggetje over met boomstammetjes
. Het was elke keer weer een nieuwe kleine verrassing of kwinkslag. Naar de kilometertijden keek ik al lang niet meer. We gingen alles behalve hard.
Toen gingen we de brandnetels in. Het stuk was aardig overwoekerd met die nare prikkers. Ik was blij met mijn lelijk uitziende hoge compressiekousen, maar na een tijdje hielden die de prikkels ook niet meer tegen.
Ik was blij toen het beter werd. Eventjes. Want we moesten DOOR het ven heen volgens de route. Aangezien dat iets te veel trail is, werd het door de modder er OMHEEN. Dwars door de modder. Ik was blij toe dat we weer op zo’n fijn, mooi, zalig bospad kwamen. We kwamen er andere mensen tegen, wandelaars. We gingen het gebied in van de runderen. Aan de ene kant lag een aangeplant bos met boompjes in de rij, aan de andere kant was het rommelig origineel bos. We kwamen bij de volgende brug over de Dwarsvaart, maar eerst moesten we een extra rondje maken voor we daar overheen mochten. We kwamen een andere hardloper tegen! Die op het fietspad bleef.
Een ander soort bos in. En toen was daar het trekpontje! We MOESTEN er wel overheen. Te leuk om te laten. En we waren er toch voor ons plezier! En ik moet je zeggen dat het inderdaad het ene leuke pad na het andere was. Echt een grote speeltuin! Het werd donkerder in de lucht. We liepen langs een villawijk, maar die lieten we snel achter ons om langs het water te gaan lopen. Ik werd stil, leerde enige woordjes Portugees en genoot met volle teugen van het bos. Ik genoot gewoon. Dat we over tien kilometer een uur en twintig minuten hadden gedaan, deerde me niks. Ineens kwam er een tijd in de 6 minuten voorbij, dus ik denk dat de Garmin hier en daar ook wat van slag was.
Toen begon het te regenen. Grote druppels. Verfrissende druppels. Ik vond het niet eens erg. Weer een vennetje. En we volgden de rode route het bos weer in. Het regende niet hard door. Naast het feit dat de kleuren niet meer alleen helder waren, begon het groen nu ook nog eens te schitteren! De zon kwam al snel door de regen heen. Alles róók nu ook nog eens heerlijk. Alle zintuigen stonden vol open bij mij en het was buitengewoon geweldig. Ik juichte nog even dat ik de marathon-in-drie dagen gehaald had na 12 kilometer. De GPS had het moeilijk met de natte bladeren en was vaak de route kwijt. Er liepen veel andere gezinnetjes, we zagen er vlak na elkaar wel drie. We kwamen weer terug bij de brug over de Dwarsvaart en deze keer gingen we er overheen. In de verte was het gemaal te zien.
Ik realiseerde me dat ik moe werd. Gewoon moe in mijn hoofd. Dat je even een paar passen wandelt en je weet even niet meer waar je bent of waarom. Toen renden we weer verder. In de verte begon het te donderen. Heel ver weg. Daar waren de wolken diep donkerblauw. Boven ons waren de wolken helderwit en fel omrand.
De bomen met hun witte bloesem staken prachtig af tegen het heldere lichtblauw naast de witte wolken. Toen kwamen we bij een meer. 
Er was niemand anders behalve wij. De zon scheen onder de donkere wolken door. Naast de meest prachtige tinten groen in alle schakeringen werd het blauw nu in het meer weerkaatst. Er zwom 1 witte zwaan. Het was onecht, zo mooi. Adembenemend mooi. Groots.
En tegelijkertijd zo overzichtelijk als mogelijk. We moesten allebei over het heuveltje heen en lieten het meer achter ons liggen. De donder dreigde.
We liepen een heel mooi bos in toen we eindelijk over het goede bruggetje liepen en de GPS ons ook begreep. Ik weet niet of het nog een keer regende. Het rook er naar bos.
Het liep er zacht op de perfecte ondergrond. De kleuren waren indrukwekkend. De vogels gaven een concert. En wij mochten daar lopen. Hou je mond maar, dacht ik en ik was zelf ook stil. In mij was het ook stil. Ik was alleen maar bezig met wat er om me heen te voelen was. Al die schoonheid, die rust in me aan het opnemen. Stap voor stap een ongekende dankbaarheid voelen dat ik daar was. Dat ik daar alleen maar hoefde te zijn. Ik hoefde alleen maar al die indrukken binnen te laten stromen. In mijn hoofd klonk de tekst van het liedje van Passenger: “It’s hard to find the answer, when the questions won’t come out”. Er waren geen vragen, geen antwoorden: dat was niet nodig. Ik was niet in trance ofzo, maar ik voelde me bijna los van dat pad en compleet ín dat bos. Het was ontzettend emotioneel en ook heel erg mooi. Ik had de kracht niet om het uit te leggen, ik wilde de stilte. Alleen de voetstappen horen en vooral voelen was voldoende.
De omgevallen boom en de trailroute die er overheen ging, haalde me uit de droom. Liep ik het ene moment nog bijna te huilen van een rauw soort geluk, nu liep ik te lachen om het grappige bouwseltje over die enorme boom heen. We klommen omhoog, maar het pad vervolgen over nog meer brandnetels leek ons niet nodig als er ook een pad door het bos ging.
Ik liet het loopmaatje even achter en liep alleen door dat prachtige stukje bos. Op dat moment kon ik hem net even niet gebruiken en was ik alleen met mijn eigen overweldigende diepe emotie. Ik kon dat niet delen. Hoe moest ik uitleggen waarom de tranen over mijn wangen liepen terwijl ik absoluut niet verdrietig was? Toen hij me weer bijhaalde, waren we rond. We waren weer op het bloemenpad en keken over de brandnetels naar de omgevallen boom. De betovering was voorbij.
Ik was er beduusd van. Ook wel een beetje vermoeid intussen. De kleuren waren er niet minder mooi op geworden, de zwanen waren nog altijd fel wit; maar ik voelde een soort loomheid vermengd met gelukzaligheid. We staken de weg weer over en inmiddels waren de woorden ook weer terug. We namen zomaar een pad naar links en als klap op de vuurpijl volgde een heerlijk vlonderpad! Alsof de route nog niet genoeg verrassingen had gehad.
En zo liep ik 10 minuten na de tranen met een lach van oor tot oor over een houten pad dat aan Canada deed denken. In de verte rommelde de lucht nog. De donkere wolken leken ons te passeren. En toen zagen we nog een trekpontje!
Een flinke deze keer. Het was te zwaar om ‘m eerst onze kant op te halen, dus… dan loop je eerst om het meer heen en gaat dan op het pontje naar de overkant! Het was hard werken om 2 kilometer per uur vooruit te komen.
En ik kreeg er nog modderhanden van ook. Het begon te regenen. Dikke vette druppels. Ik ging ietsje sneller toen mijn loopmaatje opmerkte dat hij midden op dat meertje liever geen onweer had…
Toen we weer aan de kant stonden, was de regen voorbij. De 15 kilometer zaten er al op. We namen nog een slingerpaadje, maar dat leidde niet naar het doolhof, maar naar het meer terug. We zagen de auto. Het loopmaatje had er 17 kilometer op zitten en daarmee ook zijn marathon-in-drie dagen voltooid. Ik zag de auto en het was me opeens genoeg. Geen energie meer om er ‘per ongeluk’ een halve marathon van te maken of nog een stukje door te gaan. Het weer werd me te dreigend en er zijn grenzen van wat je zou moeten willen. Tijd voor droge kleren aan, naar huis. We hadden 2 uur en twintig minuten gelopen. Tel uit, dat is behoorlijk langzaam voor zeventien kilometer
. Maar daar inbegrepen zaten 2 plaspauzes, 2 trekpontjes, een telefoon-herstartstopje, wandelen door modder, fluisterschalen, een trapje beklimmen en diverse foto-momenten. Inbegrepen was ook een hemels moment van bezinning in het prachtig groene Harderbos. Dat maakt alle tijd en vertraging meer dan goed. Dan krijg je van hardlopen veel meer energie als het kost om dat ene beentje voor de andere te zetten en dat dan uren- en kilometers lang.
It’s not hard to find the answer, when the question is ‘why running?‘
3/4 marathon Oostvaardersplassen met zadelpijn
Ouderwetse zenuwen: Wat moet ik aan? Wat doet het weer? Wat moet ik mee? Wat moet ik eten? Ik sliep er niet slecht van (ik accepteer zenuwen tegenwoordig) en ik was op de afgesproken tijd (9u30) bij Camping het Oppertje in Lelystad met de wetenschap dat het grootste deel van de marathon hardlopend op mij neer zou komen. Marathon? Lelystad?! Hoe dit zo?!
Een vrouwelijke collega van Rob, M. woont in Lelystad en al enige tijd geleden hadden wij het erover het rondje Oostvaardersplassen van haar huis naar mijn huis of omgekeerd te lopen. En toen zag zij dit: de Natuurmarathon van Lelystad voor duo’s: 1 iemand op de fiets, de ander hardlopend en dat wissel je naar eigen inzicht af. Niet meer dan 150 deelnemers, geen muziek, geen duizenden toeschouwers; je bent samen verantwoordelijk, dus neem je eigen eten en drinken mee op de fiets. Maar M. was wat geblesseerd aan haar voet en loopt nog geen halve marathons, dus zou het grootste deel van de marathon hardlopend op mij neer komen. Vandaar zo.
Kwart over tien, voorzien van startnummer en met een volle fietsmand vertrokken de halve duo’s rennend om even later de fietsende rest op te pikken. Ik ging als laatste weg. Prima de luxe. Wij gingen niet voor de snelheid of de winst; wij gingen voor de leuk, om het mee te maken. Eerst 1,5 kilometer bos. Geen fiets ernaast, tempo zoeken. Heerlijk, dat bos.
Daarna werd alles verhard. En even later was ik al op de Knardijk op weg naar de Oostvaardersdijk. Het was droog, bewolkt en warm. Ik had een korte broek aan. Voor het eerst dit jaar. Er was iemand veters aan het strikken en toen liep ze net iets teveel voor me. Ik haalde haar in. Voor nu.
De Oostvaardersdijk. Die zou ik voor mijn rekening nemen. Helemaal, als het ging. Wind, wolkjes en ik liep te kletsen. De man van de veterstrikster haalde mij in. Voorgoed. Lange rechte dijk. We kletsten. M. vertelde over haar vakantie en ik over hardloophelden. Ja, ik kletste nog! Ik liep 5:35 (10,6 km/h) en ik had nog adem om te praten genoeg. Ik had mijn tempo gevonden hoor. Het ging heerlijk.
Warm. Lekker. Ik haalde wat dames in zelfs. 10 Km in 56 minuten. Jippie! Ik nam een beetje water bij de post en een stukje banaan en hup, weer door. Er kwamen tijden voorbij van 5:20 zelfs. M. moest plassen, onhandig op de dijk…. Zij begint zich af te vragen waar dat hardlopen goed voor is, maar ik vind dit niet het juiste moment voor zulke filosofieen!
Na 15 km in 1 uur en 23 minuten, werd het wat zwaarder. Ik keerde een beetje in mezelf en praatte niet meer. M. kletste met medefietsers. Ik SMSte waar ik was naar het loopmaatje die ons op het fietspad langs de plassen zou oppikken. M. fietste vooruit toen we de dijk afgingen en ik hield me wat in. Ik haalde de solo-marathonlopers in die 15 minuten eerder waren vertrokken. En toen was het fietspad nog dicht. Het leverde me woede en extra adrenaline op. M. maakte een pitstopje en toen kwam ik naast de saaie rotkassen het loopmaatje tegen. Ik had er 18 kilometer opzitten in 1 uur 40 minuten en 30 seconden. Ik mocht gaan fietsen.
Fietsen is saai. Er vielen 15 regendruppels. Fietsen in de regen is gewoon niet leuk. Fietsen na 18 kilometer hardlopen is ontspanning. Omdat het loopmaatje er ook bij liep, kon ik niet lekker aan het kletsen gaan. M. was ook niet zo’n prater tijdens het lopen, en de omgeving was me wat saai. Overbekend. Ik voelde me onrustig op de fiets. Wees M. waar ik woon, vertelde van het hert. Ik SMSte met de familie die ons kwamen aanmoedigen. We kwamen bij het Oostvaarderscentrum. Ik at een komkommertje en dronk energy drank. Snel verder fietsen! Rob en Vincent kwamen er aan.
Ik fietste nog! In het Kotterbos in de bocht mocht ik weer gaan lopen. Garmin weer aan, zwarte jasje uit en hoera!
Hoera?! Het was RAMPzalig. Mijn spieren deden ERG veel pijn. Fietsen, afkoelen en dan weer gaan hardlopen KEN NIE. Wauw Auw AUW. Maar goed, dan maar iets langzamer: ik zet toch door.
Ik hoeft amper om me heen te kijken. Kotterbos. Daar staat inderdaad 25 km op het fietspad voor ons. Pijltjes met een M wijzen ons moeiteloos de route. Na twee kilometer is de pijn eraf en dan begint de regen. Ik voer het tempo wat op tot rond de 6:00 (10 km/h). Ik verwelkom de regen. Heerlijk! Alles ruikt lekker. M. doet een plastic poncho om en ze klinkt als een vrolijk vliegend plastic zakje! Inmiddels is de route leeg. We zien niemand meer. Langs de Vaart. Ik ga tot de Praamberg, maar ik vind het wat weinig. Het is ineens maar 5,5 kilometer. Loopmaatje keert om. Onder het viaduct.

Ik ga weer fietsen en het laatste duo haalt ons in. 2 Heren die elk 21km doen. Na heel wat water drinken, zet ik het op een kwebbelen. Vertel waar dat hardlopen goed voor is (om je kind op te halen als je de verkeerde route loopt), hoe fijn onverhard lopen is en zo vergeten we de regen helemaal. Het fietsen gaat moeiteloos. M loopt tot de sluis en het laatste stukje steil omhoog wandelen we samen. De laatste post. Ik eet een stukje ontbijtkoek, drink nog meer en werk ook een banaan weg. We zitten al op 32 kilometer ofzo. Deze keer gaat het lopen opstarten beter. We kletsen gewoon door.
Ik heb last van schuurplekjes. Lastig moment nu voor een 3/4 marathon met zadelpijn. We halen nog 1 sololoopster in die er niet uitziet alsof ze er al 37 kilometer op heeft zitten. Ik word moe. Ik herken de witte brug. Het bos in het Hollandse Hout is adembenemend mooi voor me.
Voor M. is het overbekend, dit is haar achtertuin waar het Kotterbos de mijne is. Ik raak de weg wat kwijt. Water? Het spoor? Ik heb inmiddels 28 kilometer gerend en wil graag door tot de 30. Maar dan heeft M. eigenlijk weinig meer over. Na wat voor mij 29 kilometer is, ruilen we. Ik fiets nog een klein stukje. We besluiten het laatste stukje samen te doen. We zetten de fiets tegen een boom en nemen de waardevolle spullen mee. Nog een klein stukje door het bos. Onverhard. Hoi.
Na 4 uur en 15 minuten finishen we als laatste duo. Ik ben superblij en erg voldaan. Ik ben niet doodmoe. Dat verbaast me. Ik heb wel erge trek. En ik moet nog 150 meter om de dertig te halen… Na een paar slokken energy drank lopen we terug naar de auto en ik haal rennend de fiets. 30 Kilometer in 2 uur en 55 minuten. Tussendoor dus een uurtje gefietst ook nog. En ik voel het niet! Ik ben niet doodop! Helemaal niet. Geen last van mijn voeten. Niet van mijn knieën. Schuurplekjes wel. En bezweet. Wat moe. Maar hé, ik heb me dik 4 uur ingespannen! Ik heb erg veel trek. Ik verorber een plak cake, en er gaat meteen een kaneelbroodje achteraan. Dan begint het hard te regenen. We kletsen nog met de sololoopster. Het is simpelweg ouderwets gezellig op de camping. De organisatoren bedanken kan persoonlijk. De laatste loopster halen we met twintig klappende mensen binnen. Ze krijgt persoonlijk koffie van de organisator. Het regent hard als ik over de Oostvaardersdijk naar huis en de welverdiende douche rij.
Wat was het leuk! Wat een superplan op deze manier! Volgend jaar draaien we het om M 😉 Of dan nemen we allebei een eigen persoonlijke fietser mee en doen de hele marathon. Ik heb niet genoeg gedronken en heb wat hoofdpijn en voortdurend dorst en honger. De hamburger ‘s avonds voelt niet als dik verdiend, maar is zeer welkom. De compressiesokken hebben me behoed tegen spier- of voetpijn. Op een flinke portie vermoeidheid na, voel ik me niet alsof ik 30 kilometer gelopen heb met een gemiddeld tempo van 5min50 (10,3 km/h) in zone 3 (hartslag 160).
Ontspanning
Schoolreisje: Druk, veel herrie, golfen met kinderen, natworden in de hagel, met de bus mee.
Mijn loopmaatje had een “technische” keuring gedaan voor zichzelf en die moest vertellen hoe dat was gegaan.
Het rondje van vrijdag werd dus een rondje ontspanning op donderdagavond. Om bij te kletsen, om uit te rusten, om even ‘niks’ te hoeven dan de voeten te volgen.
De schemering in. De wolken en de kleuren waren prachtig.
Ik had geen zin in de oefening en de verschillen tussen zone 1 en zone 2 afwisselen, dus ik stelde het horloge gewoon in op 65 minuten lopen in een lage hartslagzone. Na 5 minuten waren de pieken er uit.
Loopmaatje vertelde, ik luisterde. Laag tempo. Bos door. Andere hardlopers.
Ik praatte. Een stukje onverhard. Daarna het fietspad verder volgen.
Het werd langzaam, heel langzaam donkerder.
We gingen na een kwartiertje in zone 2 aan het lopen. Gepiep. Laat maar.
Betonpad. Speeltuin in wording.
Maar ondertussen hoefde ik nergens aan te denken: niet aan de was, de toets die het kind morgen nog heeft, de vaatwasser, de koekjes thuis. Ik hoeft alleen maar mijn ene voet voor de andere te zetten in een gestaag tempo. En dat bevalt me heel erg goed! Dat is mijn rustpunt vandaag.
Het kan me niet schelen hoe ver we zijn. Hoe lang zijn we al bezig? We hebben nog 14 minuten. Ik laat het horloge piepen.
In stilte versnellen we en komt het tempo hoger te liggen. Niet vermoeiend, maar gewoon even lekker doorlopen. 5:50 min/km tot het volgende pad. Dan trekken we de rem weer aan.
Achter de wijken langs.
Het duister treed nu echt in met de maan als stralend punt.
30 April alweer. Ik haal deze maand de 200 kilometer net niet. Maar in hoeverre niet dan niet is, maakt me niks uit. Het boeit me alleen maar dat ik niks meer hoeft als hier te zijn nu.
Door het stukje minibos en dan is het donker. Ik voel me vermoeid, maar niet moe. Van 120 herriekinderen word je moe, van een uur hardlopen niet. Daar komt energie voor terug.
Erg dat ik de oefening niet precies heb gedaan? Neuh, ik had even behoefte aan iets anders. Dit. Gewoon. Lopen. Hardlopen.
9,5 Kilometer in 65 minuten. Niet al te hard. 143 als gemiddelde hartslag. Niet al te laag. Maandtotaal is 190 kilometer. Ga ik vast nog ‘verbeteren’ dit jaar. Na 3 maanden circa 160 kilometer te hebben gelopen, is het een stap voorwaarts.
Komt een paard bij de bakker……
Het klinkt als een goede mop, maar het was een rondje van een uurtje hardlopen. Ik vertrok om kwart over 9 met rugzakje om. Op weg voor 3 x 20 minuten: eerst 20 minuten in zone 1, dan 20 minuten zone 2 en uitlopen; weer 20 minuten in zone 3. Onderweg (na een half uurtje) was het plan om bij de bakker langs te gaan voor brood en bij de AH voor boontjes (dat is de meest logische volgorde ook).

Elke 20ste minuut moest ik in hoge pasfrequentie lopen >90. Hoe? Wat? Ik ben twee minuten onderweg en de wijk nog niet uit en ik erger me al kapot aan de rinkelende sleutels in de rugtas. Afdoen is veel werk. Ik ga vast gék worden van het geluid, ik was vergeten hoeveel herrie twee muntjes maken: ik had moeten bedenken dat sleutels een aanslag zijn! Ik zou eens aan Jolanda Linschooten (http://www.jolandalinschooten.nl) moeten vragen hoe zij dat op haar trail ervaren heeft. Nu moet ik er proberen mee te rennen. Terug naar de pasfrequentie. Wat zou nu mijn pasfrequentie zijn in zone 1? Ik heb geen idee! Dus ik kijk op mijn horloge, en op de hele minuut ga ik aan het tellen. Elke linkerpas. Heerlijk! Wat fijn om zo in een ritme te komen! 85. Geen idee wat dat betekent, maar ik zou toch boven de negentig moeten kunnen komen. Ik blijf zo’n beetje netjes in zone 1 hangen. Ik tel weer. En weer. Minuut na minuut. 85. Elke keer kom ik op 85 uit.
Ik kom bouwvakkers tegen die roepen: “dat kan harder”. Flauw hoor, maar ze hebben gelijk, alleen nu niet. Ik tel onverstoorbaar door. Vijfentachtig. Ik hoeft amper meer te kijken of de minuut om is. Zodra ik probeer hoger te komen, gaat de hartslag omhoog. Dan voel ik me net een paard met rinkelend tuig! Ik ben al gewend aan de sleutels. De enige twee keer dat ik stop met tellen is omdat ik mijn schoenveter moet strikken. Ik ga langzaam de brug op en hou de hartslag in zone 1 tot ik bijna boven ben. Dan mag ik door naar zone 2. Maar eerst! Proberen de pasfrequentie boven de 90 te krijgen! Het gaat gemakkelijk en de tweede minuut kom ik al op 92 uit. En dat terwijl ik onverhard het bos in ben gedoken. Het gaat voortreffelijk. Ik geniet tijdens het tellen van de vogels en let niet meer op de sleutels. Ik kom op 92 uit. En dat dan weer drie minuten lang. Ik trek mijn voeten hoger op, zet me meer af en tel en tel en tel en tel….
Ik voel me echt een paardje. Met rinkelend tuig. In een drafje. Er staan paarden in de wei en ik ben op weg naar de manege. Maar niet over de ruiterroute. De zon schijnt en ik krijg het warm. Zouden paarden ook een voorkeursbeen hebben? De vraag laat me niet meer los. En waarom tel ik het linkerbeen? Is dat mijn voorkeursbeen dan? Ik staak het tellen even en kijk om me heen. Als ik de brug op ga, zal ik weer tellen. Maar ik vergeet het. Het gevoel van tijd en kilometers ben ik kwijt. Ik voel alleen het ritme.
Ik hoor de sleutels al lang niet meer, de auto’s maken herrie er overheen. Brug af tel ik weer en nu met mijn rechtervoet. Ik kom op 90 uit! Nog eens. dat is raar, ik doe twee passen minder. Ik ga proberen te versnellen en het lijkt of de mensen raar naar me kijken, maar dat komt omdat ik het idee heb dat ik anders loop. Ik moet wachten bij het oversteken en daarom kom ik nog niet hoger uit. En dan is zone 2 voorbij. Zou ik in zone 1 kunnen komen en een hoge pasfrequentie aan kunnen houden? Ik ren de Evenaar op tussen de vlaggen door.
De passen maak ik kleiner en lager, maar ik zet er nog evenveel. Ongeveer, want door het oversteken en slingeren komt het er niet meer echt van om goed te tellen. De hartslag zakt wel. Ik dribbel het plein over en dan zet ik het horloge stil bij de bakker. Het is er druk, dus ik ga eerst naar de Albert Heijn voor de boontjes. Ik berg de sleutels op: zo, die rammelen niet meer! Daarna langs de bakker en ze kennen mijn bestelling al! Ik koel wat af. Er passen precies twee halve broden in het rugzakje en 600 gram boontjes.
Ik ga weer verder. Ik tel nu even geen passen meer, ik moet eerst weer in het ritme komen. Heerlijk! Ik ga langs de kano’s en het oefenveldje van de UFO’s van vorige week en dan ga ik weer rechts tellen. Ik zit in zone 1 en geloof het of niet: ik kom drie keer achter elkaar op 81 uit! Ik zet gewoon twee passen meer met links! Het brengt je wel helemaal in trance, elke keer dat tellen. De Jehova’s halen mij er met hun groet uit en ik vind het ook wel goed ook. Ik loop langs het schoolplein waar groep 7 buiten is. Ik ga het precies halen in een uur. En dat met rugzakje. Het zijn ‘slechts’ 9 kilometer, maar het waren leerzame 9 kilometers. Ze telden mee, ook voor het maandtotaal. En dat de maand april een topmaand wordt qua afstand staat nu ook al vast, ook al haal ik de 200 kilometer toch net niet meer.
Als ik thuis ben zoek ik eerst op of een paard een voorkeursbeen heeft en dat is zo! Daarna zoek ik iets meer op over pasfrequenties en 2×90 (180) is niet eens heel slecht. Ik download meteen ook een metronoom. Ik ga er mee verder! Brood opruimen, douchen.
:( => :)
Na 15 gaten klopboren (en dan hoeft ik alleen maar toe te kijken) en tig dozen uitpakken en een ochtend op de vrijmarkt staan én met een lijst van nog tiental rotklusjes, ws ik simpelweg sjachereinig. Op deze koningsdag is er geen training, maar ik moest en zou een oefening rennen in allemaal verschillende hartslagzones. Het was weer een hele puzzel met Z-tjes en gelukkig doet het uploaden naar het horloge het weer. Ik kreeg bericht terug van een medeloper die de laatste meters van de marathon heeft moeten lopen ondersteund door vrijwilligers en daardoor nét niet onder de drie uur finishte; toch zijn er weinig mensen voor wie ik meer bewondering heb. ‘just run, no justification, no explanation‘, schreef hij en toch stond er een hartverscheurend verhaal onder. Ik liep in mijn korte mouwen naar buiten het zonnetje in, maar was snel binnen voor een jasje om erover aan te doen tegen de koude wind.
Even over drieen stond ik buiten en ik haalde mijn loopmaatje op. Ik meldde maar meteen dat ik niet de vrolijkste was. Ik had geen idee van de route, want mijn horloge en mijn hartslag was de leidraad van de dag. We liepen achter om de wijk en het valt mij op dat ik helemaal kalmeer tussen de bomen. We moesten eerst 10 minuten in mijn zone 1 lopen. Daarna mochten we lekker door naar zone 2. Die vind ik tegenwoordig het meest comfortabel. We haalden zonder moeite een pace van 5:50 min/km. Dat is ruim tien kilometer per uur. Voor het gevoel is dat nog ‘op mijn gemak’.
Toen moest ik gaan versnellen. Het werd een minuutje dacht ik, maar ik had niet goed gekeken: het was twee minuten in zone 3. Die zone kom ik bijna nooit, maar nu wel. De hartslag moet dan tussen de 154 en 164 blijven, maar ik zat er al snel boven. Raar om zachter te moeten lopen als je aan het versnellen bent. Het tempo schiet voor die twee minuten omhoog naar 4:28 min/km, dat is bijna 13,5 kilometer per uur. En toen kreeg ik het wel warm! Uitlopen moest echt in wandeltempo, anders komt mijn hart binnen een minuut niet terug in zone 1. Wandelend haal ik dat net. Nogmaals versnellen en nu moest de hartslag wel echt omhoog naar zone 4! Dat ging ook en dan haal ik een snelheid van 4:06 min/km; dat is 14,5 kilometer per uur. Let wel: ik red dat een minuut, maar ik zou dat nooit (net als mijn marathonheld) urenlang kunnen volhouden. Uitlopen en deze keer in zone 2, dus we hoefden niet te wandelen. We gingen achter de politie aan die in de bosjes aan het zoeken was geweest. De volgende versnelling hielden we de politiedames op de fiets bij! Twee minuten zone3. Deze keer ging ik nog ietsje harder als de eerste serie: 4:44 min/km (12,6 km/u). En dan te bedenken dat ik vorig jaar meestal in deze hartslagzone aan het trainen was! Dan haalde ik deze snelheden bepaald niet, dus er zit wel een soort van vooruitgang in. We werden aangemoedigd door de medeloopster waarmee ik laatst heb getraind. Zij ging vast naar de vrijmarkt op ‘r fiets! Na twee minuten terug naar zone1, maar ik heb geen meer om te gaan wandelen, dus dribbelen we heeeeeeeel kalmpjes een minuutje.
Nog een versnelling. Inmiddels waren we op de Evenaar aangekomen en ging de route rechtdoor over het voetpad. De vermoeidheid en de warmte slaat al wat toe en ik ga ietsje langzamer, maar met 4:26 min/km (13,5km/u) hoeft ik me nog niet te schamen. Rust. Ik vraag mijn loopmaatje een foto te maken en dan heb ik bij de laatste keer dat we in zone 3 gaan lopen de telefoon in het zweethandje vast. OnHanddig. 3 Hele minuten maar liefst. We rennen een respectabele 5:08 min/km (11,6 km/u) en toch heb ik het gevoel dat ik slechts flink aan het doorrennen ben; ik voel niet zozeer dat ik een gemiddelde hartslag van 162 heb. We gaan nog vijf minuten in zone 2 uitlopen. Het duurt even voor mijn hart tot rust is gekomen en dan nog hoeft ik maar ietsje te versnellen en zit ik weer te hoog met mijn hartslag. We hebben ook nog 5 minuutjes in zone 1 en dan voelt bijna als stilstaan. We cirkelen tussen de huizen door over smalle paadjes. Ik vind het goed geweest en we zijn ook rond. Ik wandel bezweet terug naar huis. Dik 7 kilometer in 3 kwartier.
De buitenlucht heeft me goed gedaan. Ik voel me een stuk minder sjachereinig en zie de rest van de middag niet meer op tegen de andere klusjes.